Primair onderwijs

Virtuele museumervaringen verrijken de geschiedenisles niet vanzelf en vragen meer van docenten

Virtual reality-brillen, 360-gradenvideo’s en digitale reconstructies van het verleden doen steeds vaker hun intrede in musea als ‘immersieve leerervaringen’, maar nieuw onderzoek laat zien dat deze technologieën pas echt iets toevoegen aan het geschiedenisonderwijs wanneer zij bewust worden ingezet en didactisch worden begeleid.

egelijkertijd blijkt uit het onderzoek dat deze technologieën zonder gerichte didactische inbedding zelden bijdragen aan diepgaand historisch denken. De onderwijswaarde hangt sterk af van hoe scholen, docenten en museumeducatoren de ervaringen voorbereiden, begeleiden en nabespreken.

Een drempel voor leerlingen

De onderzoekers voerden hun studie uit tegen de achtergrond van een toenemend gebruik van immersieve technologieën in musea, terwijl onduidelijk bleef wat deze toepassingen daadwerkelijk betekenen voor leren over geschiedenis.

In het artikel wordt expliciet gewezen op een structureel probleem in het geschiedenisonderwijs voor jongere leerlingen: het sterke beroep op gesproken en geschreven taal. Vooral in het primair onderwijs en de vroege fasen van het voortgezet onderwijs vormt dit een drempel voor leerlingen die nog moeite hebben met abstracte begrippen als tijd, oorzaak en gevolg of historische context.

Immersieve leerervaringen kunnen deze drempel verlagen doordat zij het verleden via beelden, geluid en ruimtelijke beleving dichterbij brengen. De auteurs benadrukken echter dat dit geen vervanging is van historisch leren, maar hooguit een andere ingang. De centrale vraag van het onderzoek is dan ook niet of deze technologieën aantrekkelijk zijn, maar onder welke voorwaarden zij kunnen bijdragen aan onderwijsdoelen die verder gaan dan beleving alleen.

Zes immersieve museumervaringen in België en Nederland

Het onderzoek analyseerde zes immersieve museumervaringen in België en Nederland, die alle betrekking hadden op geschiedenis of erfgoed. Hoewel de ervaringen bedoeld zijn voor een breed publiek, richten de onderzoekers hun analyse nadrukkelijk op het gebruik ervan in onderwijscontexten, zoals schoolbezoeken met leerlingen. Daarbij is steeds gekeken naar kenmerken die relevant zijn voor leren: de mate van historische nauwkeurigheid, de intensiteit van de immersie en de ruimte die leerlingen krijgen om zelf keuzes te maken.

De studie is beschrijvend en interpretatief van aard. De auteurs meten geen leeropbrengsten bij leerlingen, maar analyseren welke onderwijsachtige functies deze ervaringen kúnnen vervullen. Dat betekent ook dat de conclusies vooral richtinggevend zijn voor docenten en scholen die musea inzetten als verlengstuk van hun curriculum.

Wat laten de museale cases zien voor het onderwijs

In vrijwel alle onderzochte musea worden leerlingen ondergedompeld in een historisch verhaal dat weinig expliciete sturing bevat. Dat vergroot de betrokkenheid en kan vooral voor jongere leerlingen helpen om zich een beeld te vormen van het verleden. Tegelijkertijd constateren de onderzoekers dat veel ervaringen zijn ontworpen als gesloten narratieven. Leerlingen kijken, luisteren en ondergaan, maar worden nauwelijks uitgedaagd om vragen te stellen, keuzes te maken of verschillende perspectieven te vergelijken.

Voor scholen betekent dit dat een museumbezoek met immersieve technologie niet vanzelf leidt tot historisch begrip. Zonder voorbereiding bestaat het risico dat leerlingen het verleden ervaren als een vaststaand verhaal, in plaats van als een reconstructie op basis van bronnen. Vooral bij basisschoolleerlingen en jongere vmbo- en havo-leerlingen kan de sterke zintuiglijke prikkel ertoe leiden dat emotionele impact de plaats inneemt van reflectie.

Voorafgaand aan een museumbezoek vraagt dat om uitleg over wat leerlingen gaan zien

De auteurs maken duidelijk dat de belangrijkste onderwijsopgave niet bij de technologie ligt, maar bij de didactische keuzes van docenten en scholen. Immersieve ervaringen kunnen volgens het onderzoek vooral waardevol zijn wanneer zij expliciet worden ingebed in een breder leertraject. Voorafgaand aan een museumbezoek vraagt dat om uitleg over wat leerlingen gaan zien en dat het gaat om één mogelijke voorstelling van het verleden. Achteraf is begeleiding nodig om ervaringen te duiden, te bevragen en te verbinden aan historische bronnen en begrippen.

Voor leraren in het primair onderwijs betekent dit dat immersieve museumbezoeken vooral kunnen dienen als startpunt voor gesprekken over tijd, verandering en perspectief, mits die gesprekken bewust worden georganiseerd. In het voortgezet onderwijs ligt de nadruk volgens de auteurs meer op het expliciteren van de geconstrueerde aard van historische verhalen en het vergelijken van verschillende representaties van hetzelfde verleden.

De kern ligt in het leren denken over het verleden

De studie onderstreept daarmee dat scholen niet kunnen volstaan met het ‘meenemen’ van leerlingen naar een indrukwekkende ervaring. Zonder actieve rol van de docent blijven immersieve technologieën beperkt tot beleving en motivatie, terwijl de kern van geschiedenisonderwijs juist ligt in leren denken over het verleden.

Het onderzoek laat zien dat immersieve leerervaringen vooral kansen bieden voor jongere leerlingen die moeite hebben met talig en abstract historisch onderwijs. Tegelijkertijd waarschuwen de auteurs dat deze technologieën zonder expliciete instructie en reflectie nauwelijks bijdragen aan historisch denken. Voor scholen en docenten ligt de sleutel daarom in voorbereiding, begeleiding en nabespreking. Immersieve technologie kan het onderwijs verrijken, maar alleen wanneer zij bewust wordt ingezet als onderdeel van een doordacht onderwijsontwerp en niet als op zichzelf staande attractie.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen die met groepen leerlingen musea bezoeken maakt dit onderzoek duidelijk dat immersieve museumervaringen vooral betekenisvol kunnen zijn voor leerlingen in het basisonderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs, waar taalvaardigheid en abstract historisch denken nog in ontwikkeling zijn. De ervaringen kunnen helpen om het verleden toegankelijker te maken, maar vragen om voorbereiding waarin expliciet wordt gemaakt dat leerlingen een geconstrueerde voorstelling van het verleden zien.

Voor docenten geschiedenis en leerkrachten laten de bevindingen zien dat virtuele en gemengde realiteit zelden vanzelf leiden tot historisch begrip. Veel ervaringen zijn narratief gesloten en laten weinig ruimte voor reflectie. Zonder gerichte begeleiding bestaat het risico dat leerlingen het verleden ervaren als een vaststaand verhaal. De auteurs benadrukken daarom het belang van expliciete instructie vóór en na het museumbezoek, waarin leerlingen leren om ervaringen te plaatsen, te bevragen en te verbinden aan bronnen en context.

Voor museumeducatoren en scholen samen onderstreept het onderzoek dat de onderwijswaarde niet zit in beleving alleen, maar in de mate waarin immersieve ervaringen worden ingebed in een breder leerproces. Combinaties met contextgevende elementen en begeleide klassikale gesprekken vergroten de kans dat betrokkenheid ook leidt tot historisch denken.

Bron: Smets, W. & Euser, V. (2026). Systematic Instructional Design Using Immersive Learning Experiences in Museums: A Multiple Case Analysis, Technology, Knowledge and Learning. DOI: https://doi.org/10.1007/s10758-025-09945-4

Ontdek meer onderwerpen