Voortgezet onderwijs

Mammoetwet maakte kansen in het onderwijs niet gelijker

Twee grote hervormingen van het Nederlandse voortgezet onderwijs zijn er niet in geslaagd de invloed van sociale afkomst op het uiteindelijke opleidingsniveau blijvend te verkleinen. De Mammoetwet uit 1968 had geen aantoonbaar gelijkmakend effect. De basisvorming uit 1993 hielp leerlingen zonder hoogopgeleide ouders aanvankelijk enigszins, maar dat voordeel verdween later in hun onderwijsloopbaan. Dat blijkt uit een nieuwe analyse van Nederlandse onderwijsgegevens. 

Het onderzoek is uitgevoerd door Dieuwke Zwier van de Universiteit Utrecht, Katharina Stückradt en Herman van de Werfhorst van het European University Institute en Carla Haelermans van de Universiteit Maastricht. Hun analyse verschijnt in een policy brief van LEARN, een Europees onderzoeksproject naar sociaaleconomische ongelijkheid in het onderwijs dat wordt geleid door de Universiteit van Helsinki.

De onderzoekers richten zich op een vraag die in onderzoek naar kansenongelijkheid volgens hen relatief weinig aandacht krijgt. Veel studies kijken naar verschillen tussen gezinnen en leerlingen, terwijl ook de inrichting van het onderwijsstelsel kan bepalen hoeveel invloed sociale afkomst op schoolloopbanen heeft. Nederland is daarvoor een uitgesproken voorbeeld, omdat leerlingen al op jonge leeftijd over verschillende onderwijsniveaus worden verdeeld. 

Een stelsel met vroege selectie

De wortels van het Nederlandse onderwijsstelsel liggen volgens de onderzoekers in de late negentiende eeuw. Scholen waren destijds sterk verdeeld naar zowel sociale klasse als levensbeschouwelijke achtergrond. Een deel van die structuur is blijven bestaan. Nederland kent nog altijd een sterk gedifferentieerd onderwijsstelsel waarin leerlingen op jonge leeftijd over verschillende niveaus worden verdeeld.

Na de Tweede Wereldoorlog groeide de zorg over de invloed van sociale herkomst op de onderwijsloopbaan. Hervormingen moesten ervoor zorgen dat het opleidingsniveau van ouders minder bepalend werd voor de kansen van hun kinderen.

Een belangrijke poging daartoe was de Mammoetwet van 1968. Die bracht de verschillende vormen van voortgezet onderwijs onder in één wettelijk stelsel en moest het gemakkelijker maken voor leerlingen om tussen onderwijsniveaus te bewegen. Ook werd de overgang van het basis- naar het voortgezet onderwijs verder geformaliseerd met een gestandaardiseerde eindtoets en het advies van de leerkracht.

Scholen werden daarnaast aangemoedigd verschillende onderwijsniveaus binnen één school aan te bieden. In de eerste jaren konden leerlingen bovendien in gemengde klassen terechtkomen. Daarmee werd de definitieve plaatsing op een niveau uitgesteld, zodat leerlingen meer tijd kregen om te laten zien wat zij konden. De leeftijd waarop selectie plaatsvond, veranderde echter niet fundamenteel. Volgens de onderzoekers was de Mammoetwet daarmee een compromis tussen voorstanders van gemeenschappelijk onderwijs en verdedigers van het bestaande niveaustelsel. 

Geen aantoonbaar effect van de Mammoetwet

Om te bepalen wat de hervormingen daadwerkelijk veranderden, vergelijken de onderzoekers mensen die vlak vóór en vlak na de invoering ervan aan het voortgezet onderwijs begonnen. Daardoor kunnen verschillen tussen deze groepen beter worden onderscheiden van algemene veranderingen die zich tegelijkertijd in de samenleving en het onderwijs voordeden.

Voor de analyse zijn gegevens uit de European Social Survey en het Nederlandse LISS-panel gecombineerd. In totaal gaat het om 27.516 personen.

Bij de Mammoetwet vinden de onderzoekers geen statistisch significant effect op de kans om een academisch georiënteerde richting in het voortgezet onderwijs af te ronden. Ook vinden zij geen bewijs dat leerlingen uit minder bevoorrechte gezinnen meer van de hervorming profiteerden dan andere leerlingen.

Daarmee bevestigt de nieuwe analyse volgens de auteurs eerdere studies naar de Mammoetwet. Ook daarin werden veranderingen in de samenhang tussen gezinsachtergrond en onderwijsresultaten niet overtuigend aan deze hervorming toegeschreven.

Wel wijzen de onderzoekers op de mogelijkheid dat de plaats waar ongelijkheid zichtbaar werd, veranderde. Verschillen tussen leerlingen zouden zich na de hervorming minder via verschillende onderwijsroutes en meer via verschillen in schoolprestaties kunnen hebben gemanifesteerd. De analyse toont dat echter niet rechtstreeks aan; de auteurs verwijzen hiervoor naar eerder onderzoek. 

Basisvorming hielp tijdelijk

Een tweede grote hervorming volgde in 1993 met de invoering van de basisvorming. Alle leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs kregen voortaan een gemeenschappelijk curriculum van vijftien vakken. Het tempo waarin zij die stof doorliepen, bleef afhankelijk van hun onderwijsniveau.

Daar vinden de onderzoekers wel een verschil naar sociale achtergrond. Leerlingen zonder een ouder met een hogeronderwijsdiploma hadden na de invoering van de basisvorming een iets grotere kans om een academisch georiënteerde richting af te ronden.

Dat effect blijkt echter beperkt. Het is alleen zichtbaar bij de cohorten die kort na de invoering van de basisvorming aan het voortgezet onderwijs begonnen. Bovendien is het niet meer terug te vinden wanneer wordt gekeken naar het afronden van hoger onderwijs.

De onderzoekers spreken daarom van hoogstens een bescheiden en tijdelijk gelijkmakend effect. Ook dat resultaat past volgens hen bij eerdere evaluaties. De basisvorming veranderde wel wat leerlingen in de eerste jaren kregen aangeboden, maar liet de vroege verdeling over onderwijsniveaus grotendeels ongemoeid.

Hervormen zonder het stelsel te veranderen

Juist daarin zien de onderzoekers een overeenkomst tussen beide hervormingen. Zowel de Mammoetwet als de basisvorming veranderde onderdelen van het onderwijs, maar niet de fundamentele structuur van vroege selectie en verschillende onderwijsniveaus.

Gemengde brugklassen konden de definitieve plaatsing uitstellen, maar schaften de niveaus niet af. De basisvorming gaf leerlingen een gemeenschappelijk vakkenpakket, maar veranderde evenmin de leeftijd waarop zij over verschillende onderwijsroutes werden verdeeld.

De auteurs vergelijken die Nederlandse ontwikkeling met landen in onder meer Scandinavië, de Britse eilanden en Frankrijk, waar verdergaande veranderingen richting gemeenschappelijk onderwijs plaatsvonden. Het Nederlandse stelsel bleek volgens hen relatief bestand tegen structurele verandering.

Daaruit trekken zij niet de conclusie dat onderwijshervormingen geen zin hebben. Wel stellen zij dat hervormingen die voortkomen uit politieke compromissen, waarbij de bestaande structuur behouden blijft en vooral aan de randen meer flexibiliteit wordt toegevoegd, waarschijnlijk geen blijvende vermindering van kansenongelijkheid opleveren. 

Meer ruimte om later van niveau te veranderen

De onderzoekers zien binnen het bestaande Nederlandse stelsel wel mogelijkheden om de gevolgen van vroege selectie te beperken. Leerlingen kunnen bijvoorbeeld opstromen naar een hoger niveau, verschillende diploma’s na elkaar behalen of via een omweg alsnog verder komen.

Die mogelijkheden werken volgens de auteurs alleen gelijkmakend wanneer leerlingen uit minder bevoorrechte gezinnen er daadwerkelijk gebruik van kunnen maken. Daarvoor is actieve begeleiding nodig. Zonder dergelijke ondersteuning bestaat het risico dat vooral gezinnen die het onderwijssysteem goed kennen van de beschikbare flexibiliteit profiteren.

Ook scholen waarin verschillende niveaus worden aangeboden kunnen volgens de onderzoekers belangrijk zijn, omdat overstappen daar gemakkelijker te organiseren is dan wanneer leerlingen daarvoor van school moeten veranderen.

Daarnaast wijzen zij op verschillen die al vóór het voortgezet onderwijs ontstaan. Sociaaleconomische verschillen in vaardigheden zijn volgens de aangehaalde literatuur al aanwezig voordat kinderen naar de basisschool gaan en worden tijdens de basisschool groter. Hervormingen van het voortgezet onderwijs zouden daarom gepaard moeten gaan met investeringen in voor- en vroegschoolse educatie en de kwaliteit van het basisonderwijs. 

Ook leraren krijgen meer te dragen

Meer flexibiliteit en het later selecteren van leerlingen stellen tegelijkertijd hogere eisen aan leraren. In klassen waarin verschillende niveaus samenkomen, moeten docenten onderwijs verzorgen aan leerlingen die verder uit elkaar kunnen liggen. Leerlingen hebben bovendien begeleiding nodig om daadwerkelijk gebruik te maken van mogelijkheden om van niveau te veranderen.

Volgens de onderzoekers moeten veranderingen daarom samengaan met investeringen in lerarenopleidingen, begeleiding op school en het terugdringen van de werkdruk. Zij wijzen daarbij op het aanhoudende lerarentekort in Nederland.

De centrale conclusie blijft dat de invloed van sociale afkomst op het bereikte opleidingsniveau ondanks opeenvolgende hervormingen hardnekkig is gebleken. De gemeten effecten waren volgens de onderzoekers klein, statistisch niet significant of, in het geval van de basisvorming, bescheiden en tijdelijk. 

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen betekent meer ruimte om later van niveau te veranderen niet automatisch dat kansenverschillen kleiner worden. Volgens de onderzoekers is actieve begeleiding nodig om ervoor te zorgen dat ook leerlingen uit minder bevoorrechte gezinnen gebruikmaken van mogelijkheden om op te stromen of diploma’s te stapelen.

Voor leraren betekenen gemengde klassen en flexibelere onderwijsroutes dat zij met grotere niveauverschillen binnen één klas te maken kunnen krijgen en leerlingen intensiever moeten begeleiden. De onderzoekers stellen daarom dat zulke hervormingen gepaard moeten gaan met investeringen in lerarenopleiding, begeleiding en werkdruk.

Voor het onderwijsbeleid laat de studie zien dat de Mammoetwet geen aantoonbaar gelijkmakend effect had en dat het effect van de basisvorming beperkt en tijdelijk was. De onderzoekers adviseren daarom niet alleen te kijken naar flexibiliteit binnen het bestaande niveaustelsel, maar ook naar vroege investeringen en naar de vraag of de huidige vroege selectie zelf moet worden aangepast.

Bron: Zwier, D., Stückradt, K., Haelermans, C. & Van de Werfhorst, H. (2026). The Limits of Compromises: Educational Reforms And Persistent Inequality in the Netherlands. LEARN Policy Brief, september 2026. DOI: 10.5281/zenodo.22233962.

Ontdek meer onderwerpen