De Muynck behandelt deze vraag omdat het tijdschrift zich bezighoudt met de invloed van het christendom op onderwijs in verschillende delen van de wereld. De directe aanleiding voor zijn reflectie was een bezoek aan een schoolcampus in India.
Kinderen zonder plek in de gemeenschap
De campus die De Muynck bezocht, was oorspronkelijk begonnen als weeshuis. Later groeide de instelling uit tot een campus met basis-, voortgezet en beroepsonderwijs. Op het graf van de oprichter stond een Bijbeltekst uit Jesaja 60:22: ‘‘De kleinste zal tot duizend worden, en de minste tot een machtig volk; Ik, de HEERE, zal zulks te zijner tijd snellijk doen komen.’
De oprichter had deze woorden opgevat als een roeping om zich in te zetten voor de kwetsbaarste mensen in zijn gemeenschap. In deze Indiase context waren wezen niet alleen kinderen van wie beide ouders waren overleden. Het ging ook om verstoten of achtergelaten kinderen. Zij hadden geen kaste, familienaam of vaste plek in een gemeenschap, terwijl het behoren tot een gemeenschap in deze collectivistische cultuur van groot belang was.
Aandacht voor arme kinderen én leraren
Vervolgens bespreekt De Muynck twee voorbeelden uit de West-Europese onderwijsgeschiedenis. Het eerste betreft de Franse katholiek Jean-Baptiste de La Salle, die leefde van 1651 tot 1719 en uit een welgestelde familie kwam.
Tijdens zijn studie in Parijs ontmoette De La Salle arme en verwaarloosde kinderen met een achtergrond die sterk verschilde van de zijne. Als onderdeel van zijn opleiding moest hij kinderen van straat halen en naar school brengen. Deze ontmoetingen maakten diepe indruk op hem.
Later zag hij ook de kwetsbare positie van arme, niet-gekwalificeerde onderwijzers. Zij hadden nauwelijks inkomen en waren afhankelijk van wat anderen hun gaven. Aanvankelijk nodigde hij hen thuis uit om te eten. Daarna stichtte hij een gemeenschap waarin zij samen konden wonen. Deze gemeenschap bestaat nog altijd als de Broeders van de Christelijke Scholen.
Een school voor vergeten kinderen
Het tweede historische voorbeeld is Cornelis Elisa van Koetsveld, schrijver en predikant van het Koninklijk Huis in Den Haag. Hij leefde van 1807 tot 1893 en werd in de stad geconfronteerd met uitbuiting, drankmisbruik, kinderverwaarlozing en prostitutie.
Tijdens een pastoraal bezoek ontmoette hij een jongen met een verstandelijke beperking die niet naar school kon en wiens situatie zijn familie voor grote problemen stelde. Van Koetsveld ontdekte dat er voor kinderen zoals hij geen zorg bestond. Zij werden doorgaans verborgen gehouden en vormden een vergeten groep.
Voor deze kinderen richtte Van Koetsveld in 1855 de eerste Nederlandse school voor speciaal onderwijs op. Zijn initiatief inspireerde anderen om vergelijkbare scholen te stichten.
Vermoeid door prestatiedruk
Deze voorbeelden laten volgens De Muynck zien dat de context bepaalt wie als de minste of meest kwetsbare wordt gezien. In zijn eigen hedendaagse Europese context wijst hij op de invloed van de meritocratie: het geloof dat mensen hun succes aan hun eigen verdiensten te danken hebben.
Volgens hem worden jongeren aangemoedigd om grote doelen te bereiken en zichzelf als een project te beschouwen. Daardoor zijn vergelijking en onderlinge concurrentie onderdeel geworden van de algemene onderwijscultuur. De Muynck schrijft dat hij in de klas soms vermoeidheid waarneemt als gevolg van prestatiedruk.
Schapen zonder herder
Hij verbindt die waarneming met Matteüs 9:35-36. In deze Bijbelpassage krijgt Jezus medelijden met een menigte die wordt omschreven als afgemat en hulpeloos, als schapen zonder herder. Volgens De Muynck kan de oorspronkelijke Griekse formulering ook worden gelezen als ‘opgejaagd en uitgeput’.
Leerlingen die niet vanzelf medelijden oproepen
De Muynck concludeert dat in zijn context vooral degenen kwetsbaar zijn die het meest onder de meritocratische cultuur lijden. Dat zijn volgens hem vaak leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus.
Ook leerlingen met externaliserend gedrag rekent hij tot deze groep. Volgens hem lijden zij sterk onder stress, terwijl scholen juist bij hen vaak zware maatregelen nemen of hen doorverwijzen naar gespecialiseerde scholen. Mededogen tonen is bij deze leerlingen volgens De Muynck niet altijd gemakkelijk, omdat zij hun waardering voor de inzet van leraren niet direct laten blijken.
Een opdracht voor christelijke opvoeders
De Muynck besluit dat christelijke opvoeders vanuit hun christelijke inspiratie moeten beoordelen welke groepen de meeste aandacht en inzet nodig hebben. Wie dat zijn, kan per context sterk verschillen. Het begrijpen van deze opdracht kan volgens hem aanzetten tot creatieve initiatieven die gericht zijn op wat voor de betreffende groep het beste is.
Editorial: Who is the least in our context?
DOI: 10.1177/20569971261481136