Dat blijkt uit een uitgebreid onderzoek naar netwerkleren in Nederlandse onderwijscontexten. Succesvol netwerkleren vraagt om een zorgvuldige balans tussen structuur en autonomie. Zonder gerichte begeleiding verzandt samenwerking al snel in vrijblijvende uitwisseling, terwijl een te strak geregisseerde aanpak het eigenaarschap en de creativiteit van deelnemers ondermijnt. Structuur en autonomie functioneren niet als tegenpolen, maar als complementaire voorwaarden voor effectief en duurzaam netwerkleren.
Die conclusie trekken Emmy Vrieling-Teunter van de Open Universiteit en Anouke Bakx van Fontys Hogeschool en Tilburg University in een inleidend artikel bij een themanummer over netwerkleren. Op basis van theoretische inzichten en twee praktijkvoorbeelden laten zij zien onder welke voorwaarden netwerkleren kan bijdragen aan professionele ontwikkeling van leraren, studenten en andere onderwijsprofessionals.
Netwerkleren als belofte
Netwerkleren wordt in het onderwijs steeds vaker gepresenteerd als een krachtig instrument voor duurzame docentprofessionalisering. De onderliggende gedachte is dat individuele kennis binnen scholen en opleidingen collectief kan worden gemaakt, waardoor leren effectiever en relevanter wordt dan in traditionele professionaliseringstrajecten. Bovendien zou netwerkleren het onderwijs minder solitair maken en bijdragen aan meer werkplezier en betrokkenheid.
Deze ideeën sluiten aan bij het sociaal constructivisme, dat sinds de jaren negentig het leren beschouwt als een sociaal en interactief proces. Binnen deze benadering spelen dialoog, samenwerking en kennisdeling een centrale rol. Sociaal leren veronderstelt dat interpersoonlijke relaties en gezamenlijke reflectie leiden tot nieuwe inzichten en gedeelde kennis, die vervolgens kunnen doorwerken in de onderwijspraktijk.
Vanuit deze positieve verwachtingen is netwerkleren uitgegroeid tot een belangrijke vaardigheid voor (aanstaande) leraren, lerarenopleiders en andere onderwijsprofessionals. Lerarenopleidingen hebben deelname aan professionele netwerken steeds vaker expliciet opgenomen in hun curriculum. Studenten werken daarin samen met leraren, opleiders, onderzoekers en praktijkexperts aan onderwijs- en onderzoeksvraagstukken, met als doel theorie en praktijk dichter bij elkaar te brengen.
Tegelijkertijd signaleren de auteurs dat deze belofte niet automatisch wordt waargemaakt. Het samenbrengen van professionals in een netwerk leidt niet vanzelf tot productief leren of innovatie. Onveiligheid, machtsverschillen, onduidelijke doelen en gebrekkige ondersteuning kunnen netwerkleren juist belemmeren. Daarmee rijst de vraag hoe netwerkleren zo gefaciliteerd kan worden dat het daadwerkelijk bijdraagt aan docentprofessionalisering.
Onderzoeksopzet en focus
Het onderzoek is gebaseerd op een kwalitatieve analyse van de eigen faciliteringspraktijken van de auteurs binnen verschillende onderwijscontexten. Centraal staan drie terugkerende uitdagingen bij netwerkleren: de positie van studenten in netwerken, het ontwerp van blended leerarrangementen en het realiseren van impact in de onderwijspraktijk.
Deze aandachtspunten worden uitgewerkt aan de hand van twee praktijkvoorbeelden. Het eerste voorbeeld betreft de Academische Werkplaats van Iselinge Hogeschool, een pabo in Oost-Nederland. Binnen deze werkplaats functioneren meerdere lerarennetwerken waarin derdejaarsstudenten samenwerken met basisschoolleerkrachten, lerarenopleiders en experts. De netwerken hebben een looptijd van twee jaar en werken ontwerpgericht aan praktijkrelevante opbrengsten, waarbij analyse, ontwerp en evaluatie meerdere keren worden doorlopen.
Om het leerproces te monitoren maken de netwerken gebruik van de Sociale Regulatie Tool, een instrument dat zowel procesaspecten, zoals verbondenheid en gelijkwaardigheid, als productaspecten, zoals toegepaste waarde, in beeld brengt. De uitkomsten worden gebruikt voor gezamenlijke reflectie en bijsturing, zonder dat er sprake is van normatieve beoordeling.
Het tweede praktijkvoorbeeld betreft de POINT-onderwijsonderzoekswerkplaatsen, gericht op passend onderwijs voor (hoog)begaafde leerlingen. In deze netwerken werken leraren, studenten, onderzoekers en lerarenopleiders gedurende drie jaar intensief samen. In de eerste twee jaar staat praktijk- en wetenschappelijk onderzoek centraal, terwijl in het derde jaar de focus ligt op het ontwikkelen van concrete producten die in scholen worden geïmplementeerd.
Spanning tussen structuur en autonomie
Uit de analyse van beide praktijkvoorbeelden blijkt dat facilitators voortdurend moeten laveren tussen het bieden van structuur en het laten van ruimte voor autonomie. Die spanning manifesteert zich op verschillende niveaus.
Bij de facilitering van studenten wordt zichtbaar dat deelname aan netwerken leerzaam kan zijn, maar dat studenten behoefte hebben aan duidelijke kaders. Samenwerken met ervaren professionals kan voor studenten spannend zijn. Heldere structuren, expliciete verwachtingen en voorbereidende bijeenkomsten blijken nodig om studenten een gelijkwaardige positie te laten innemen. Tegelijkertijd is het belangrijk dat studenten binnen die kaders ruimte ervaren voor eigen inbreng en leerdoelen. Regelmatige informele activiteiten en expliciete erkenning van ieders bijdrage dragen bij aan verbondenheid en gelijkwaardigheid.
Ook bij blended leren speelt de balans tussen structuur en autonomie een cruciale rol. De combinatie van fysieke en online bijeenkomsten biedt flexibiliteit, maar vraagt om doordachte keuzes. Online omgevingen bieden minder ruimte voor informele interactie, wat het gevoel van verbondenheid kan ondermijnen. Daarom is het volgens de onderzoekers belangrijk om te investeren in sociale cohesie, heldere doelstellingen voor bijeenkomsten en randvoorwaarden zoals technische voorzieningen en digitale vaardigheden. Blended leren is geen standaardrecept, maar vraagt om afstemming op doelen en context.
Ontwikkelde kennis blijft vaak hangen bij individuele deelnemers
Het realiseren van impact vormt een derde uitdaging. Netwerkleren leidt niet automatisch tot verbetering van de onderwijspraktijk. Ontwikkelde kennis blijft vaak hangen bij individuele deelnemers en vindt onvoldoende zijn weg naar de bredere schoolorganisatie. Voor daadwerkelijke impact is het nodig dat kennis wordt vertaald en geactiveerd binnen teams en scholen. In de POINT-werkplaatsen gebeurt dit door het ontwikkelen van concrete producten die als verbindende objecten fungeren en door deelnemers actief worden ingebed in de praktijk. Daarbij vervullen deelnemers een brugfunctie tussen netwerk en organisatie.
Netwerkleren kan bijdragen aan duurzame docentprofessionalisering, maar alleen wanneer het zorgvuldig wordt gefaciliteerd. De kern ligt in het vinden van een evenwicht tussen houvast en ruimte. Structuur is nodig om leerprocessen te organiseren, veiligheid te creëren en doelen scherp te houden. Autonomie is essentieel voor eigenaarschap, motivatie en het aansluiten bij contextgebonden vragen.
Wanneer onderwijsprofessionals elkaar in netwerken ontmoeten als gelijkwaardige partners en wanneer leren wordt verbonden met de dagelijkse praktijk, kan netwerkleren uitgroeien tot een duurzame vorm van professionalisering in plaats van een tijdelijke interventie.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor scholen en besturen laat dit onderzoek zien dat netwerkleren niet volstaat als vrijblijvende samenwerkingsvorm. Zonder expliciete ondersteuning, duidelijke doelen en aandacht voor doorwerking blijft de opbrengst beperkt tot individuele deelnemers. Investeren in structuur is nodig om netwerkleren daadwerkelijk te laten bijdragen aan schoolontwikkeling.
Voor lerarenopleidingen maakt het onderzoek duidelijk dat deelname aan netwerken leerzaam kan zijn voor studenten, mits hun rol zorgvuldig wordt gefaciliteerd. Heldere kaders, monitoring van leerprocessen en aandacht voor gelijkwaardigheid zijn voorwaarden om studenten eigenaarschap te laten ontwikkelen zonder hen te overvragen.
Voor netwerkbegeleiders en projectleiders onderstreept het onderzoek het belang van balans. Te veel regie belemmert onderlinge interactie en collectieve autonomie, terwijl te weinig structuur het risico vergroot dat netwerken verzanden. Effectieve facilitering vraagt om voortdurende afstemming tussen richting geven en ruimte laten.
Bron: Vrieling-Teunter, E. & Bakx, A. (2026). Docentprofessionalisering in netwerken: een balans tussen structuur en autonomie, Tijdschrift OnderwijsPraktijk Studies.