Voortgezet onderwijs

Uitgeputte leraren zijn minder warm in de klas en dat voelen leerlingen

Leraren die zich langdurig overbelast voelen, blijken in de klas minder warm en ondersteunend over te komen op hun leerlingen. Die verandering in houding heeft directe gevolgen voor hoe leerlingen zich voelen tijdens de les. Ze ervaren vaker boosheid, minder positieve emoties en vooral opluchting wanneer de les voorbij is. Dat blijkt uit grootschalig onderzoek onder Nederlandse middelbare scholen, uitgevoerd door onder meer onderzoekers van de Universiteit Utrecht en de Universiteit Leiden.

Het onderzoek laat zien dat niet alleen extreme burn-outklachten ertoe doen. Juist leraren die het gevoel hebben dat zij hun werk niet meer goed doen, of dat zij tekortschieten als professional, blijken door leerlingen als minder vriendelijk en betrokken te worden ervaren. Dat subtiele verschil in interactie werkt door in het emotionele klimaat van de klas.

Waarom dit onderzoek relevant is

Dat leraren onder hoge druk staan, is geen nieuws. Werkdruk, personeelstekorten en administratieve lasten zorgen al jaren voor stress in het onderwijs. Tot nu toe richtte onderzoek zich vooral op de vraag waardoor die stress ontstaat en wat dat betekent voor leraren zelf, bijvoorbeeld in termen van ziekteverzuim of uitval. Veel minder bekend was wat die voortdurende overbelasting doet met het dagelijkse contact tussen leraar en leerling, en wat daarvan de gevolgen zijn voor leerlingen.

Dat is een belangrijk gemis. Juist de relatie tussen leraar en leerling speelt een centrale rol in hoe leerlingen zich voelen op school. Gevoelens van plezier, betrokkenheid of juist frustratie ontstaan niet alleen door de lesstof, maar ook door de manier waarop een leraar met de klas omgaat. Toch ontbrak tot nu toe overtuigend empirisch bewijs dat de hele keten in kaart bracht, van burn-outklachten bij leraren via hun gedrag in de klas tot aan de emoties van leerlingen.

De onderzoekers kozen er daarom bewust voor om niet alleen te kijken naar ‘uitputting’, maar ook naar andere aspecten van burn-out die in het onderwijs vaak minder aandacht krijgen. Daarbij ging het om afstandelijkheid ten opzichte van leerlingen en om het gevoel als leraar niet meer effectief of bekwaam te zijn. Ook werd niet uitsluitend vertrouwd op observaties van buitenaf, maar juist op de waarnemingen van leerlingen zelf.

Hoe het onderzoek is uitgevoerd

Aan het onderzoek deden tachtig leraren uit het voortgezet onderwijs mee, samen met bijna 1.750 leerlingen. De leraren gaven vooraf aan in hoeverre zij last hadden van verschillende burn-outklachten. Vervolgens werd één les per leraar gefilmd, met een camera achter in de klas. Die les werd daarna op twee manieren beoordeeld.

Enerzijds gaven leerlingen direct na de les aan hoe zij het gedrag van hun leraar hadden ervaren. Anderzijds analyseerden speciaal getrainde observatoren de videobeelden, waarbij zij seconde voor seconde vastlegden hoe de leraar zich opstelde in de klas. Zo konden de onderzoekers vergelijken wat leerlingen voelden en zagen met wat externe beoordelaars vaststelden.

Daarnaast rapporteerden leerlingen hoe zij zich tijdens de les hadden gevoeld. Het ging daarbij niet alleen om positieve emoties zoals plezier of trots, maar ook om negatieve gevoelens zoals boosheid, verveling en opluchting wanneer de les voorbij was. Door deze gegevens te combineren, konden de onderzoekers nauwkeurig analyseren welke verbanden er bestaan tussen de mentale gesteldheid van leraren, hun gedrag in de klas en de emoties van leerlingen.

Wat de onderzoekers vonden

De resultaten laten een consistent patroon zien. Leerlingen ervaren hun leraar als minder warm en ondersteunend wanneer die leraar zich emotioneel uitgeput voelt of het gevoel heeft zijn of haar werk niet meer goed te doen. Vooral dat laatste aspect, het verminderde gevoel van professionele bekwaamheid, blijkt een belangrijke rol te spelen. Wanneer alle burn-outkenmerken samen worden bekeken, is dit zelfs de sterkste voorspeller van hoe leerlingen het gedrag van hun leraar ervaren.

Opvallend is dat deze verschillen nauwelijks werden opgemerkt door externe observatoren. Zij zagen geen duidelijke veranderingen in het gedrag van leraren met burn-outklachten. Leerlingen daarentegen merkten die veranderingen wel degelijk. Dat suggereert dat leerlingen gevoeliger zijn voor kleine verschuivingen in toon, aandacht en benadering, of dat leraren erin slagen hun professionele houding beter vast te houden wanneer zij weten dat ze worden geobserveerd.

Die waargenomen verminderde warmte heeft duidelijke emotionele gevolgen voor leerlingen. In klassen waar leraren meer burn-outklachten rapporteren, ervaren leerlingen vaker negatieve emoties. Vooral boosheid springt eruit, evenals opluchting zodra de les afgelopen is. Positieve emoties nemen in het algemeen af, al is dat niet toe te schrijven aan één specifieke emotie.

Een ander opvallend resultaat is dat afstandelijkheid of cynisme ten opzichte van leerlingen geen duidelijke rol speelde. Dat hangt waarschijnlijk samen met het feit dat de meeste leraren in dit onderzoek relatief weinig van deze klachten rapporteerden. Daardoor was er minder variatie om sterke verbanden te vinden.

Cruciaal is dat het onderzoek laat zien waar de kern van het probleem zit. Burn-out bij leraren heeft geen rechtstreeks effect op leerlingen. Het effect loopt volledig via de manier waarop leerlingen het gedrag van hun leraar ervaren. Minder warmte en begrip in de klas vormen de schakel tussen de overbelasting van de leraar en de negatieve emoties van leerlingen.

Wat betekent dit voor onderwijs en beleid

De bevindingen bevestigen wat veel leraren en schoolleiders intuïtief al weten. Langdurige overbelasting blijft niet zonder gevolgen voor de klas. Zelfs wanneer leraren blijven functioneren en hun lessen verzorgen, kunnen subtiele veranderingen in hun houding grote impact hebben op hoe leerlingen zich voelen.

Dat maakt burn-out niet alleen een individueel probleem, maar ook een onderwijskundig en maatschappelijk vraagstuk. Leraren hebben gedurende hun loopbaan met honderden, soms duizenden leerlingen te maken. Kleine verschuivingen in interactie kunnen zich daardoor opstapelen tot brede effecten op het welzijn van leerlingen.

Het onderzoek onderstreept bovendien dat het belangrijk is om burn-out niet te reduceren tot alleen ‘te moe zijn’. Juist het gevoel niet meer goed te functioneren als professional blijkt een kwetsbare factor die aandacht verdient. Dat vraagt om vroege signalering, ondersteuning en een werkklimaat waarin leraren ruimte ervaren om hun vak goed uit te oefenen.

Tegelijkertijd benadrukken de onderzoekers dat hun studie geen uitspraken kan doen over oorzaak en gevolg, omdat het gaat om een momentopname. Wel sluiten de resultaten nauw aan bij bestaande theorieën en eerdere studies. Vervolgonderzoek, bijvoorbeeld over langere tijd, kan helpen om beter te begrijpen hoe deze processen zich ontwikkelen en elkaar mogelijk versterken.

Wat dit onderzoek vooral duidelijk maakt, is dat investeren in het welzijn van leraren niet alleen in hun eigen belang is. Het raakt direct aan het emotionele klimaat in de klas en daarmee aan de dagelijkse schoolervaring van leerlingen.

Ontdek meer onderwerpen