Donderdag verdedigde hij zijn proefschrift Paths of Peer Influence: How social connections shape learning in adolescents and adults. Centraal in zijn onderzoek staat wat hij sociale leerprocessen noemt: de manier waarop mensen hun gedrag aanpassen op basis van wat zij bij anderen waarnemen.
“Wij leren van anderen van jongs af aan tot aan het einde van ons leven,” hield Gradassi zijn gehoor voor. “In de wetenschap noemen we dat sociaal leren.” Daarbij is volgens hem lange tijd vooral gekeken naar de risico’s van groepsdruk bij tieners. “Historisch gezien is er veel aandacht geweest voor het idee dat tieners domme dingen gaan doen door te kijken naar wat anderen doen.” Maar, zo voegde hij eraan toe, “sociaal leren kan ook heel goed zijn.”
De klas als laboratorium
Voor het eerste deel van zijn onderzoek ging Gradassi de school in. “Om adolescenten in het wild te bestuderen, gingen we naar de plek waar ze de meeste tijd doorbrengen: op school.” In Nederlandse middelbare scholen bracht hij systematisch de vriendschapsnetwerken binnen klassen in kaart.
Dat deed hij door leerlingen te vragen wie hun vrienden zijn. “En zo konden we alle onderlinge relaties volgen.” Elke leerling werd zo een knooppunt in een netwerk, met pijlen naar klasgenoten die zij als vriend aanduidden. Sommige leerlingen werden door veel anderen genoemd en bleken centrale figuren in het netwerk.
Met die netwerkinformatie ontwierp Gradassi experimenten die in de klas zelf werden uitgevoerd. Leerlingen kregen taken waarbij ze eerst zelfstandig een beslissing namen en daarna zagen wat een specifieke klasgenoot had gedaan. Cruciaal was dat de onderzoeker varieerde wie die ander was: een beste vriend, iemand verder weg in het netwerk, of juist een leerling met een centrale positie.
Ga je je schatting aanpassen of niet?
In één taak moesten leerlingen in enkele seconden schatten hoeveel dieren er op een afbeelding stonden. Nadat ze hun antwoord hadden gegeven, kregen ze te zien wat een andere leerling had gezegd. “Stel dat jij zestig zegt en ik vertel je dat Tom tachtig heeft gezegd,” legde Gradassi uit. “En ik weet dat Tom je beste vriend is. Wat ga je dan doen? Ga je je schatting aanpassen of niet?”
In een andere taak kregen leerlingen tokens die ze mochten houden of doneren aan Artsen zonder Grenzen. Ze zagen vervolgens wat een medeleerling had gekozen. “Tom heeft het geld gedoneerd. Wat ga jij doen? Hou je het voor jezelf of draag je ook bij?”
De patronen waren duidelijk. “Nauwe vrienden waren veel invloedrijker,” aldus Gradassi. En hij preciseerde dat effect: “Voor elke stap verder weg in het sociale netwerk nam de invloed merkbaar af.” Hoe groter de sociale afstand, hoe minder zwaar de mening van die ander weegt.
Ook leerlingen met een centrale positie in het netwerk bleken extra invloedrijk. Het ging om “leerlingen die door veel anderen als vriend werden genoemd”. Daarnaast speelde reputatie een rol: leerlingen “die als slim werden beschouwd” hadden eveneens meer invloed.
Hetzelfde basismechanisme onderzocht Gradassi ook bij volwassenen, zij het in een andere context. Daar keek hij hoe mensen hun oordeel bijstellen wanneer zij zien wat een ander voorspelt of besluit, bijvoorbeeld rond verkiezingen. Ook daar bleek dat mensen hun mening aanpassen op basis van sociale signalen, vooral wanneer zij zelf onzeker zijn. De gevoeligheid voor wat anderen doen beperkt zich dus niet tot de klas, maar loopt door tot in de volwassenheid.
Jongeren reageren sneller op goede voorbeelden
In het laatste deel van zijn proefschrift keerde Gradassi terug naar adolescenten, ditmaal in vergelijking met volwassenen. In een computerspel moesten deelnemers zo veel mogelijk punten verzamelen door vakjes te openen. Tegelijkertijd zagen zij een andere speler dezelfde taak uitvoeren. Soms deed die ander het heel goed, soms minder.
Wat bleek? “Adolescenten waren veel beter dan volwassenen in het snel reageren wanneer iemand een goede reeks had.” Jongeren pasten hun strategie sneller aan in de richting van de succesvolle speler. Volgens Gradassi nuanceert dat het gangbare beeld van tieners als volgzaam of roekeloos. “Adolescenten zijn beter in het snel oppikken van goede sociale informatie.” Hun gevoeligheid voor sociale signalen kan dus, in de juiste context, leiden tot betere prestaties.
Wat betekent dit voor het onderwijs?
Voor de dagelijkse onderwijspraktijk zijn vooral de bevindingen uit het klaslokaal relevant. Leerlingen leren aantoonbaar meer van mensen die dicht bij hen staan in het sociale netwerk en van klasgenoten met een centrale positie. Dat biedt kansen, maar draagt ook risico’s in zich: hetzelfde mechanisme dat prosociaal gedrag verspreidt, kan in principe ook ongewenst gedrag versterken. Gradassi benadrukte dat nadrukkelijk niet als conclusie van zijn onderzoek, maar het is een implicatie die hij voor de praktijk relevant acht.
Aan het einde van zijn verdediging zette Gradassi zijn belangrijkste bevindingen nog eenmaal uiteen. “Samengevat zijn de belangrijkste conclusies van mijn proefschrift dat adolescenten meer leren van mensen die sociaal dicht bij hen staan.” Daarbij benadrukte hij de bijzondere rol van invloedrijke leerlingen. “Adolescenten die centraal staan in schoolnetwerken kunnen in de praktijk prosociaal gedrag bevorderen.”
Ook voor de onderwijspraktijk trok hij expliciete lessen. “Sociale netwerken kunnen bijvoorbeeld in scholen worden gebruikt om interventies te verbeteren,” stelde hij. Door inzicht te krijgen in hoe leerlingen met elkaar verbonden zijn, kunnen scholen gerichter sturen op gewenst gedrag — en mogelijk ook eerder ingrijpen waar dat nodig is.