Primair onderwijs

Onderzoekers en scholen willen samen kansengelijkheid versterken, maar lopen vast op tijd, macht en academische regels

Samenwerking tussen universiteiten en scholen wordt steeds vaker gepresenteerd als sleutel tot meer kansengelijkheid in het onderwijs. In de praktijk blijkt die samenwerking echter allesbehalve vanzelfsprekend.


Een driejarig onderzoek naar een research-practice partnership tussen universitaire onderzoekers en een Nederlandse basisschool laat zien hoe onderzoekers voortdurend moeten balanceren tussen relationeel werk, praktijkverwachtingen en academische verplichtingen. Vertrouwen opbouwen kost jaren, botst met universitaire tijdschema’s en wordt belemmerd door procedures die slecht passen bij flexibel, praktijkgericht onderzoek.

Research-practice partnerships zijn samenwerkingen waarin onderzoekers en onderwijsprofessionals gezamenlijk werken aan praktijkvragen. Internationaal worden deze partnerschappen gezien als een manier om de kloof tussen onderzoek en onderwijspraktijk te verkleinen. In Nederland staan ze nog relatief in de kinderschoenen, al wordt er sinds enkele jaren geëxperimenteerd met samenwerkingsvormen waarin scholen, onderzoekers en lerarenopleidingen gezamenlijk optrekken rond kansengelijkheid.

Een basisschool met een kansengelijkheidsprofiel

De onderzochte samenwerking vond plaats op een katholieke basisschool in een grote Nederlandse stad. De school wilde zich ontwikkelen tot een onderwijsomgeving waarin kansengelijkheid centraal staat. Het onderzoeksteam werkte samen met de schoolleiding en negen leerkrachten en zocht naar een gezamenlijke onderzoeksagenda die zowel voor de school als voor de onderzoekers betekenisvol was.

Uiteindelijk werd gekozen voor onderzoek naar ouderbetrokkenheid. Dat thema sloot aan bij vragen die binnen het schoolteam leefden en viel binnen de expertise van de onderzoekers, ook al was het onderwerp in wetenschappelijke zin al veelvuldig onderzocht. De keuze illustreert de voortdurende afweging tussen academische vernieuwing en directe praktijkrelevantie.

Onderzoek naar het eigen handelen

Methodologisch kozen de onderzoekers voor een uitgebreide case study waarin zij niet alleen de schoolpraktijk onderzochten, maar ook hun eigen rol en werkwijze. Over een periode van drie jaar verzamelden zij vijftig verschillende documenten, waaronder vergadernotulen, presentaties, interviews met leraren en ouders, interne reflecties en correspondentie tussen de samenwerkingspartners.

Deze materialen werden geanalyseerd op thema’s als rolverdeling, ervaren spanningen en de ontwikkeling van het partnerschap door de tijd. Het onderzoek richtte zich nadrukkelijk op de vraag hoe onderzoekers hun academische verantwoordelijkheden combineerden met de ethische en relationele eisen van samenwerking met scholen.

Drie rollen voor onderzoekers

Uit de analyse komt naar voren dat onderzoekers binnen een research-practice partnership verschillende rollen kunnen aannemen. In sommige fases fungeren zij vooral als vertaler van bestaande wetenschappelijke kennis, door onderzoeksliteratuur samen te vatten en toegankelijk te maken voor onderwijsprofessionals. In andere situaties begeleiden zij leraren bij het toepassen van die kennis in de dagelijkse onderwijspraktijk. Daarnaast kunnen onderzoekers samen met leraren en schoolleiders nieuwe kennis ontwikkelen door gezamenlijk onderzoek te doen.

Welke rol op de voorgrond staat, blijkt sterk afhankelijk van de fase van het partnerschap. In een vroege fase domineert vaak het delen van bestaande kennis, terwijl gezamenlijke kennisontwikkeling pas mogelijk wordt wanneer er voldoende vertrouwen is opgebouwd.

Vertrouwen kost tijd

Het opbouwen van vertrouwen bleek in de praktijk veel tijdrovender dan vooraf verwacht. De onderzoekers beschrijven hoe zij langdurig investeerden in informele aanwezigheid op school, het bijwonen van activiteiten en het observeren van lessen. Pas na verloop van tijd ontstond er ruimte om gevoelige onderwerpen te bespreken en gezamenlijk onderzoeksvragen te formuleren.

Deze relationele arbeid ging ten koste van tijd die normaal gesproken wordt besteed aan academische kernactiviteiten, zoals het schrijven van artikelen en het ontwikkelen van nieuwe onderzoeksvoorstellen. De onderzoekers signaleren dat dit type werk binnen universitaire beoordelingssystemen nog beperkt wordt erkend.

Botsende tijdschema’s

Een terugkerende spanning betrof het verschil in tijdshorizon tussen onderzoek en onderwijspraktijk. Leraren en schoolleiders zochten snelle antwoorden op urgente vragen, terwijl grondige analyse, ethische toetsing en wetenschappelijke publicatie per definitie tijd vergen. Om aan de verwachtingen van de school te voldoen, presenteerden de onderzoekers voorlopige bevindingen, die later opnieuw en uitgebreider moesten worden geanalyseerd voor wetenschappelijke doeleinden.

Daarnaast bleken universitaire procedures een rem te zetten op flexibel werken. Het ontbreken van een overkoepelende ethische goedkeuring voor het partnerschap betekende dat voor elke afzonderlijke studie opnieuw toestemming moest worden aangevraagd. Dit vertraagde het onderzoek en sloot slecht aan bij de responsieve aard van de samenwerking.

Verschillende betekenissen van kansengelijkheid

Hoewel kansengelijkheid het expliciete gezamenlijke doel van het partnerschap was, bleken de betrokkenen daar verschillende betekenissen aan te geven. De onderzoekers benadrukten het erkennen en benutten van de culturele en sociale rijkdom die leerlingen van huis uit meebrengen. Binnen de school lag de nadruk vaker op het compenseren van achterstanden.

Deze oppervlakkige consensus maakte samenwerking mogelijk, maar beperkte ook de ruimte voor diepgaande discussie over onderliggende aannames in onderwijspraktijken. Volgens de onderzoekers bood deze gedeelde, maar weinig uitgewerkte visie vooral tijd om relaties op te bouwen, zonder direct confrontaties aan te gaan.

Macht binnen de school

Het onderzoek laat ook zien dat machtsverhoudingen binnen scholen een belangrijke rol spelen in research-practice partnerships. De samenwerking verliep voornamelijk via de schoolleider, die mede bepaalde hoe en in welke mate leerkrachten betrokken werden. Dat roept vragen op over de positie van individuele leraren en over de mate waarin onderzoeksinzichten daadwerkelijk doorwerken tot in de klas.

De onderzoekers signaleren dat partnerschappen die zich vooral op schoolleiding richten het risico lopen bestaande hiërarchieën te reproduceren, ook wanneer kansengelijkheid het expliciete doel is.

Spanning rond expertise

Tot slot beschrijven de onderzoekers een spanning rond hun eigen expertise. Scholen werken samen met universiteiten vanwege specifieke wetenschappelijke kennis en vaardigheden. Tegelijkertijd kan een sterk gelijkwaardig partnerschapsmodel ertoe leiden dat onderzoekers hun expertise te ver op de achtergrond plaatsen. Wanneer onderzoeksagenda’s volledig worden bepaald door praktijkvragen die buiten de expertise van onderzoekers liggen, kan dat volgens de studie leiden tot suboptimaal gebruik van wetenschappelijke kennis.

De auteurs benadrukken dat succesvolle partnerschappen een balans vereisen tussen gelijkwaardigheid en het expliciet inzetten van academische expertise, afgestemd op de culturele en institutionele context waarin de samenwerking plaatsvindt.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor onderzoekers laat dit onderzoek zien dat samenwerking met scholen structureel andere tijdsinvesteringen vraagt dan traditioneel academisch onderzoek. Relationele opbouw, flexibiliteit en tussentijdse terugkoppeling zijn essentieel en vragen om erkenning binnen universitaire beoordelingssystemen.

Voor schoolleiders maakt de studie zichtbaar hoe groot hun invloed is op de vorm en diepgang van samenwerkingen met universiteiten. Bewuste keuzes over betrokkenheid van leerkrachten kunnen bepalen of onderzoek daadwerkelijk doorwerkt tot in de klas.

Voor leraren onderstreept het onderzoek het belang van ruimte en vertrouwen om actief deel te nemen aan onderzoek. Wanneer die voorwaarden ontbreken, blijft samenwerking vaak beperkt tot kennisdeling in plaats van gezamenlijke kennisontwikkeling.

Voor onderwijsorganisaties en universiteiten laat de studie zien dat bestaande ethische en bureaucratische procedures slecht aansluiten bij langdurige, praktijkgerichte samenwerkingen. Aanpassing van deze structuren kan bepalend zijn voor het slagen van research-practice partnerships.

Bron: Kennedy, B.L., Bekir, S., & Henrichs, L. An illustrative case study of researcher roles and challenges in a Dutch school-level research-practice partnership (Studies in Educational Evaluation, 88, 2026, 101558). DOI: https://doi.org/10.1016/j.stueduc.2026.101558