Primair onderwijs

Ondanks groeiend aanbod aan interventies blijven leerproblemen toenemen

Niet de classificatie of diagnose van een kind moet vooropstaan, maar de manier waarop problemen ontstaan en zich vastzetten in de voortdurende wisselwerking tussen kind, leerkracht, klas en bredere omgeving. Orthopedagogen Marijn van Dijk en Anna Lichtwarck-Aschoff van de Rijksuniversiteit Groningen pleiten voor een andere manier van kijken naar kinderen die vastlopen op school.

Van Dijk en Lichtwarck-Aschoff publiceren hun betoog in Jeugd in Ontwikkeling. Daarin stellen zij dat de orthopedagogiek zich weliswaar nadrukkelijk bezighoudt met opvoeding, ontwikkeling en onderwijs, maar dat problemen bij het opgroeien in de praktijk steeds vaker in classificatiehokjes terechtkomen.

Steeds meer onderwijsinterventies en toch steeds meer leerproblemen

Onderzoek en ondersteuning zijn volgens hen sterk georganiseerd rond afzonderlijke stoornissen, leerproblemen, oorzaken en bewezen effectieve behandelingen. Tegelijk constateren zij dat die toenemende specialisatie niet vanzelf leidt tot betere uitkomsten. Zo zijn er volgens de auteurs steeds meer onderwijsinterventies beschikbaar, terwijl het aantal kinderen met leerproblemen blijft stijgen. 

Daarom pleiten zij voor een procesgerichte benadering, gebaseerd op de theorie van complexe dynamische systemen. Vanuit dat perspectief zijn leer-, ontwikkelings- en gedragsproblemen niet terug te voeren op één interne eigenschap van een kind, maar op patronen die ontstaan in het samenspel tussen kind en omgeving.

Hyperactief of afgeleid gedrag

Die patronen kunnen zich herhalen, zich vastzetten en daardoor stabiel lijken. In dat theoretische kader spreken de auteurs van een attractortoestand: een toestand waarin een systeem steeds opnieuw terechtkomt. Ook gedrag dat vaak als kenmerk van een stoornis wordt gezien, zoals hyperactief of afgeleid gedrag, moet volgens hen daarom niet los van de opvoedings-, leer- en ontwikkelingscontext worden begrepen. 

Voor het onderwijs heeft dat directe gevolgen. Veel vroege signalering is gebaseerd op vergelijking met groepsgemiddelden en groeicurves: hoe verhoudt een kind zich tot het gemiddelde kind van dezelfde leeftijd? Volgens Van Dijk en Lichtwarck-Aschoff is dat problematisch, omdat de ontwikkeling van individuele kinderen zich lang niet altijd gedraagt zoals groepsdata suggereren.

Ontwikkeling gaat juist gepaard met schommelingen, tijdelijke terugval en sprongen vooruit

Ontwikkeling verloopt volgens hen bijna nooit lineair, maar gaat juist gepaard met schommelingen, tijdelijke terugval en sprongen vooruit. Zulke variaties zijn niet simpelweg ruis of meetfout, maar kunnen juist betekenisvolle informatie bevatten over het ontwikkelingsproces zelf. Onderzoek naar taalontwikkeling en tweedetaalverwerving laat volgens de auteurs zien dat grotere variabiliteit soms juist een ontwikkelingssprong kan aankondigen. 

Dat betekent ook dat een afwijking van het gemiddelde nog niet automatisch een probleem is. Van Dijk en Lichtwarck-Aschoff schrijven dat het vergelijken met normen of gemiddelden tekortschiet bij het identificeren van ontwikkelingsproblemen. Een belangrijker criterium is volgens hen de mate van lijdensdruk in het geheel van kind en context.

Lijdensdruk waardoor zelfbeeld en motivatie onder druk komen te staan

In het onderwijs kan die druk bijvoorbeeld zichtbaar worden wanneer een kind moeite heeft om mee te komen in de klas, waardoor zelfbeeld en motivatie onder druk komen te staan, maar ook wanneer leerkrachten en ouders hun gedrag aanpassen en zo zelf onderdeel worden van het probleem. Niet alleen het kind, maar het hele systeem moet dan in beeld komen. 

Die redenering sluit aan bij hun bredere punt dat context niet als decor moet worden behandeld. Problemen ontstaan, blijven bestaan of nemen af in concrete situaties, thuis en op school. De auteurs verwijzen in dat verband ook naar onderzoek waarin niet alleen naar het gedrag van een kind werd gekeken, maar juist naar de interactie tussen kind en opvoeders. Hun conclusie is dat achterlopen, voorlopen of je anders ontwikkelen dan leeftijdsgenoten op zichzelf geen probleem hoeft te zijn. Het wordt een probleem in een specifieke context, wanneer niet duidelijk is hoe ermee om te gaan. 

Onderwijsinterventies moeten veel vaker beginnen bij een analyse van de dynamiek

Juist daarom vinden Van Dijk en Lichtwarck-Aschoff dat onderwijsinterventies veel vaker moeten beginnen bij een analyse van de dynamiek in alledaagse situaties. Voor leer- en ontwikkelingsproblemen betekent dat volgens hen eerst helder krijgen hoe interacties in het systeem in elkaar grijpen.

Zij wijzen erop dat er opvallend weinig onderzoek is naar de kortetermijndynamiek van vroege ontwikkelingsproblemen. Als voorbeeld van een andere aanpak noemen zij eerder werk in Talentenkracht Groningen, waarin werkelijke lessituaties met niet-lineaire methoden werden geanalyseerd.

Op basis daarvan werden interventies ontwikkeld om leerkracht-leerling-interacties te verbeteren. Een van de voorbeelden is Taal als Tool, een interventie die zich richtte op het taalgebruik van de leerkracht tijdens wetenschap- en technieklessen en werkte met video-observaties en video-feedback-coaching. In die benadering vormt inzicht in de interactiedynamiek de basis voor ingrijpen. 

Daarmee verschuift ook het moment waarop onderwijsprofessionals moeten nadenken over ondersteuning. Niet pas nadat een kind in een classificatie is ondergebracht, maar al bij de signalering, observatie en planning van begeleiding moet volgens deze benadering de vraag centraal staan wat er in de klas, in de interactie en in de context precies gebeurt.

Wat werkt voor wie, waarom en wanneer

De auteurs formuleren dat expliciet als een procesvraag: wat werkt voor wie, waarom en wanneer? Interveniëren bij leer- en ontwikkelingsproblemen is in hun woorden het tussenkomen in een lopend proces. Dat vraagt om nauwkeurige observatie van de alledaagse problematiek en om analyse van de onderliggende dynamiek voordat een verandertraject wordt ingezet. 

Ook methodologisch vraagt dat om een andere aanpak. Van Dijk en Lichtwarck-Aschoff stellen dat voor- en nametingen alleen onvoldoende zijn wanneer het doel is om verandering en stabiliteit te begrijpen. Er zijn herhaalde metingen nodig, met aandacht voor variatie van moment tot moment, van dag tot dag en van week tot week.

Voor het onderwijs betekent dat dat niet alleen toetsmomenten of eindresultaten van belang zijn, maar ook het dagelijkse verloop van leren, gedrag en interactie. Technologische middelen kunnen dat volgens de auteurs steeds beter ondersteunen, net als naturalistische observaties in de klas. Daarnaast bepleiten zij mixed-method-benaderingen waarin ook de ervaringen van jongeren en professionals zelf worden meegenomen. 

Interventies hebben bovendien geen uniform effect

In hun praktische aanbevelingen trekken de Groningse orthopedagogen daar een duidelijke lijn uit. Bij ernstige en hardnekkige problemen moeten volgens hen niet de benoemde stoornissen centraal staan, maar de processen waardoor een systeem vastloopt. Interventies hebben bovendien geen uniform effect: dezelfde aanpak kan bij de ene leerling of klas anders uitpakken dan bij de andere, en ook het moment van ingrijpen maakt uit.

Hun conclusie is dan ook dat een classificatiegerichte orthopedagogiek onvoldoende perspectief biedt op duurzame oplossingen voor leer-, ontwikkelings- en opvoedingsproblemen. Voor het onderwijs betekent dat een verschuiving van etiketten naar processen, van gemiddelden naar individuele ontwikkelingsdynamiek, en van standaardaanpakken naar contextgevoelige ondersteuning. 

Wat betekent dit in de praktijk?

Bij ernstige en hardnekkige problemen moet volgens de auteurs eerst helder zijn wat precies het probleem is. Daarbij horen processen centraal te staan, niet de eventueel benoemde stoornissen. Het kenmerk van hardnekkige problemen is dat het systeem — bijvoorbeeld het gezin of het leerling-leerkrachtkoppel — vastzit. De vraag is dan hoe dat systeem op een goede manier gedestabiliseerd kan worden, zodat het mogelijk wordt om nieuw en positief gedrag te introduceren.

Voor professionals is het daarbij van belang te beseffen dat interventies een verschillend effect hebben op verschillende personen, en dat ook het moment van ingrijpen uitmaakt. Om de timing goed af te stemmen, is het noodzakelijk het systeem en veranderingen in de dynamiek — zoals de mate van fluctuaties — goed te blijven monitoren.

Variaties in het gedrag van een persoon verdienen erkenning als waardevolle informatie. Doordat veel onderzoek is gebaseerd op weinig meetpunten per individu en kinderen vaak worden vergeleken met een gemiddelde curve, wordt ten onrechte de indruk gewekt dat leren en ontwikkelen regelmatig en voorspelbaar verlopen.

Ten slotte benadrukken Van Dijk en Lichtwarck-Aschoff het belang van ecologisch en contextgericht werken. Omgevingsfactoren zijn soms krachtigere en eenvoudiger aangrijpingspunten om problemen blijvend te verminderen dan interventies die zich uitsluitend richten op het individu.

Bron: Van Dijk, M. & Lichtwarck-Aschoff, A. (2026). De Orthopedagogiek als Proceswetenschap, Jeugd in Ontwikkeling. DOI: https://doi.org/10.54447/JiO.24579

Ontdek meer onderwerpen