Voortgezet onderwijs

Leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus niet minder, maar op een andere manier gemotiveerd

Leerlingen uit sociaal-economisch minder bevoorrechte gezinnen zijn niet minder gemotiveerd voor school dan hun leeftijdsgenoten uit welvarendere milieus, maar hun motivatie werkt anders. Dat blijkt uit een analyse van PISA-gegevens van bijna vijfduizend Nederlandse vijftienjarigen.

Volgens de onderzoekers heeft dat gevolgen voor de manier waarop scholen leerlingen uit verschillende achtergronden het beste kunnen motiveren. 

Het onderzoek richt zich op een bekend vraagstuk in het Nederlandse onderwijs: de groeiende ongelijkheid in onderwijskansen tussen leerlingen uit gezinnen met een hoge en een lage sociaaleconomische status (SES). Omdat motivatie nauw samenhangt met schoolprestaties, wilden de onderzoekers beter begrijpen hoe motivatie verschilt tussen leerlingen uit deze groepen.

Eerdere studies zijn verdeeld

In eerdere studies werden uiteenlopende resultaten gevonden: sommige onderzoeken suggereren dat leerlingen uit lagere milieus minder productieve vormen van motivatie hebben, terwijl andere studies juist geen verband vinden tussen sociaaleconomische achtergrond en motivatie. 

Voor het onderzoek analyseerden de onderzoekers gegevens uit PISA 2018, het internationale onderzoek van de OESO naar kennis, vaardigheden en achtergrondkenmerken van vijftienjarige scholieren. In Nederland namen in dat jaar 4.765 leerlingen deel. Voor de analyses werden de gegevens van de 25 procent leerlingen met de hoogste sociaaleconomische status vergeleken met die van de 25 procent met de laagste sociaaleconomische status. Na het verwijderen van ontbrekende waarden bleven gegevens over van 1.052 leerlingen met een hoge SES en 780 leerlingen met een lage SES. 

De intrinsieke motivatie

De sociaaleconomische status werd vastgesteld op basis van drie componenten: het opleidingsniveau van de ouders, hun beroepsstatus en de bezittingen in het huishouden. Daarnaast vulden leerlingen vragenlijsten in over hun academisch zelfbeeld, hun vertrouwen in eigen kunnen en verschillende vormen van motivatie. Daarbij ging het om intrinsieke motivatie voor lezen, de motivatie om taken tot een goed einde te brengen en een leerdoelgerichtheid die gericht is op het zo goed mogelijk beheersen van de lesstof. 

De resultaten laten zien dat leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus inderdaad op enkele punten verschillen van hun leeftijdsgenoten uit hogere milieus. Zo hebben zij gemiddeld een negatiever academisch zelfbeeld en een lagere intrinsieke motivatie voor lezen. Dat betekent dat zij zichzelf minder vaak als goede lezer zien en minder plezier ervaren in lezen. 

Geen significant verschil

Op andere punten blijken de verschillen echter kleiner dan vaak wordt aangenomen. Zo vonden de onderzoekers geen significant verschil tussen leerlingen met een hoge en een lage sociaaleconomische status in hun vertrouwen in het eigen vermogen om academische taken aan te kunnen. Ook verschilden de groepen niet in hun leerdoelgerichtheid, de motivatie om de lesstof zo goed mogelijk te begrijpen en te beheersen. 

Op één punt bleek het verschil zelfs omgekeerd aan wat de onderzoekers hadden verwacht. Leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus scoorden hoger op de motivatie om taken af te maken en zich in te spannen om resultaten te bereiken. Met andere woorden: zij gaven vaker aan dat ze blijven doorwerken totdat een taak is afgerond en dat ze voldoening halen uit hard werken aan schooltaken. 

Naast verschillen in motivatieniveaus vonden de onderzoekers ook verschillen in de manier waarop motivatie samenhangt met andere psychologische factoren. Bij leerlingen met een hoge sociaaleconomische status bleek het academisch zelfbeeld sterk samen te hangen met intrinsieke motivatie. Naarmate deze leerlingen zichzelf als betere leerling zien, neemt hun motivatie voor lezen sterker toe. 

Vertrouwen in eigen kunnen

Bij leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus bleek juist het vertrouwen in eigen kunnen een belangrijkere rol te spelen. Naarmate dat vertrouwen groter is, neemt bij hen de motivatie toe om taken te voltooien en om de lesstof zo goed mogelijk te beheersen. De sterkte van deze verbanden verschilde statistisch significant tussen beide groepen. 

Daarnaast bleek uit de analyses dat meisjes gemiddeld hoger scoren op alle onderzochte vormen van motivatie dan jongens. Dit verschil trad op in zowel de groep met een hoge als met een lage sociaaleconomische status. 

Een ander opvallend resultaat is dat Nederlandse leerlingen in het algemeen relatief laag scoren op verschillende motivatiematen in vergelijking met het gemiddelde van de OESO-landen. Alleen het academisch zelfbeeld van leerlingen uit hogere sociaaleconomische milieus ligt iets boven dat internationale gemiddelde. 

Verschillen verkleinen in onderwijskansen

De onderzoekers benadrukken dat de gebruikte PISA-gegevens geen uitspraken toelaten over oorzaak en gevolg. Bovendien werd intrinsieke motivatie in dit onderzoek alleen gemeten voor lezen en niet voor andere schoolvakken.

Volgens de onderzoekers laten de resultaten zien dat leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus niet minder gemotiveerd zijn, maar op een andere manier gemotiveerd raken. Dat verschil kan relevant zijn bij het ontwikkelen van interventies die gericht zijn op het verbeteren van motivatie en het verkleinen van verschillen in onderwijskansen tussen leerlingen uit verschillende sociaaleconomische achtergronden.  

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen en leraren laat dit onderzoek zien dat motivatie bij leerlingen uit verschillende sociaaleconomische milieus op een andere manier samenhangt met psychologische factoren. Bij leerlingen uit hogere SES-milieus hangt intrinsieke motivatie voor lezen sterker samen met hun academisch zelfbeeld.

Voor leerlingen uit lagere SES-milieus blijkt juist het vertrouwen in eigen kunnen een belangrijker aanknopingspunt. Wanneer dat vertrouwen toeneemt, groeit bij hen sterker de motivatie om taken te voltooien en de lesstof zo goed mogelijk te beheersen.

Voor onderwijsbeleid en interventies betekent dit dat motivatiestrategieën mogelijk verschillend uitwerken voor leerlingen uit verschillende sociaaleconomische achtergronden. Het onderzoek suggereert dat interventies die gericht zijn op het versterken van academische zelfeffectiviteit bij leerlingen uit lagere SES-milieus kunnen bijdragen aan het vergroten van hun motivatie voor schoolwerk.

Bron: Van Tricht, L., Gubbels, J., Bakx, A. & Hoogeveen, L. (2026). The Motivation of Secondary School Students from High and Low Socioeconomic Backgrounds. SSRN preprint. https://ssrn.com/abstract=6349664

Ontdek meer onderwerpen