Middenklasseouders die bewust kiezen voor een basisschool waar hun kinderen tot de etnische minderheid behoren, ervaren in de praktijk hoe ingewikkeld samenleven met verschil kan zijn. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van socioloog Josje Schut, die aan de Vrije Universiteit onderzocht hoe ouders zonder migratieachtergrond functioneren in zogenoemde meerderheids-minderheidscontexten. Met name op school, waar waarden, opvoeding en participatie samenkomen, botsen idealen met de alledaagse realiteit.
Klein, vaak ongemakkelijk werk
Schut richtte zich op ouders in Amsterdam die expliciet kozen voor een diverse schoolomgeving. Daarmee vormen zij zelf een numerieke minderheid binnen de schoolpopulatie. In interviews onderzocht zij hoe deze ouders omgaan met verschil, welke inspanningen zij leveren om zich staande te houden en waar hun bereidheid tot aanpassing ophoudt. Die dagelijkse inspanningen omschrijft Schut als ‘micro-arbeid’: klein, vaak ongemakkelijk werk dat nodig is om het samenleven met verschil werkbaar te maken.
Tijdens haar verdediging schetste Schut hoe deze ouders voortdurend balanceren tussen hun waardering voor diversiteit en hun eigen normatieve verwachtingen. “Ouders raken als het ware verstrikt in hun eigen progressieve paradox,” zei zij. “Ze pleiten voor diversiteit, maar verwachten tegelijk dat andere ouders, en volgens hen vaak moslims, zich bewegen richting hun eigen progressieve standaard.”
Confrontatie, het voortzetten van de discussie en het zoeken naar een compromis
Die spanning wordt vooral zichtbaar op school, bijvoorbeeld bij onderwerpen als seksuele voorlichting. Waar verschil aanvankelijk wordt gewaardeerd, verandert dat wanneer ouders het gevoel krijgen dat fundamentele waarden op het spel staan. Schut onderscheidt drie manieren waarop ouders met zulke situaties omgaan: confrontatie, het voortzetten van de discussie en het zoeken naar een compromis.
In de confrontatiebenadering wordt weinig ruimte gelaten voor verschil en stappen ouders bijvoorbeeld naar de schoolleiding om hun gelijk te halen. Bij het blijven voeren van gesprekken verwachten ouders dat de ander zich uiteindelijk alsnog zal aanpassen. De compromisbenadering geeft juist prioriteit aan de onderlinge relatie en laat ruimte voor alternatieve oplossingen.
Omgaan met verschil vraagt voortdurend inspanning.
Die verschillende benaderingen laten zien dat diversiteit niet automatisch leidt tot wederzijds begrip. Integendeel, zo bleek uit het onderzoek, het omgaan met verschil vraagt voortdurend inspanning. Ouders vermijden soms contact uit angst om fouten te maken of iemand te beledigen. Tegelijkertijd beschrijft Schut ook ouders die bewust kleine stappen zetten om verbinding te zoeken. Zo organiseerden sommige ouders speelafspraakjes of deden zij moeite om andere ouders beter te leren kennen.
Arabisch leren om contact te maken
Een van de respondenten vertelde hoe zij enkele woorden Arabisch leerde om contact te maken met andere ouders. “Voor mij is het een simpele manier om te laten weten: ik weet iets van je cultuur en ik vind het leuk,” citeerde Schut. “Een klein gebaar om te laten zien dat ik ook interesse kan tonen.” Zulke handelingen lijken op het eerste gezicht klein, maar hebben volgens Schut betekenis omdat ze laten zien dat samenleven met verschil actief onderhoud vergt.
Tegelijkertijd kent die bereidheid duidelijke grenzen. Wanneer ouders het gevoel hebben dat zij kernwaarden moeten opgeven, stokt de micro-arbeid. Dan verschuift de focus van aanpassing naar afbakening, en wordt verschil niet langer gezien als verrijking maar als probleem. Dat spanningsveld maakt zichtbaar dat integratie in een diverse schoolomgeving geen vanzelfsprekend proces is, ook niet voor ouders die zichzelf als open en progressief beschouwen.
Nederlandse ouders blijven ook als minderheid op een school de dominante rol innemen
Opvallend is dat Nederlandse ouders, ondanks hun numerieke minderheidspositie op school, vaak een dominante rol blijven innemen. Veel van Schuts respondenten waren actief betrokken bij ouderraden of ouderinitiatieven en oefenden zo invloed uit op de organisatie en koers van de school. “Ik kwam erachter dat het grootste deel van mijn respondenten bij de ouderraad zat of op andere manieren sterk participatief betrokken was bij hoe de school eruitzag,” vertelde Schut. Dat leidde er soms toe dat deze ouders zichzelf als norm bleven zien en zich verbaasden over de lagere betrokkenheid van andere ouders.
Ouders zonder migratieachtergrond worden hartelijk ontvangen
Die dynamiek werd ook zichtbaar in situaties waarin nieuwe ouders zonder migratieachtergrond op school arriveerden. Schut beschreef hoe zij soms “met open armen werden ontvangen”, compleet met taart en feestelijke aandacht. Voor ouders die al langer bij de school betrokken waren, voelde dat ongelijk en bevestigde het bestaande hiërarchieën. Volgens Schut laat dit zien dat scholen onbedoeld machtsverhoudingen kunnen versterken, juist in een context die bedoeld is om diversiteit te omarmen.
Hoewel de rol van scholen en leerkrachten geen centraal onderdeel vormde van het onderzoek, erkende Schut tijdens de oppositie dat die rol cruciaal is. Door de beperkingen tijdens de coronapandemie was directe toegang tot scholen lastig, maar uit de interviews bleek wel dat leerkrachten en schoolleiding vaak worstelen met hun positie. Zeker bij gevoelige onderwerpen, zoals seksuele voorlichting, is het voor scholen ingewikkeld om te navigeren tussen uiteenlopende verwachtingen van ouders.
Acuut bewust worden van hun eigen fouten
Het onderzoek laat ook zien dat leren mogelijk is, zij het langzaam en vaak via confrontatie. Ouders zonder migratieachtergrond blijken hun eigen aannames vooral te herzien wanneer zij feedback krijgen van ouders met een migratieachtergrond. Die feedback komt soms onverwacht en kan confronterend zijn. “In deze momenten kunnen ouders zich acuut bewust worden van hun eigen fouten en onvermogen om met bepaalde situaties om te gaan,” aldus Schut. Dat leerproces vraagt wat zij ‘reflexief werk’ noemt: emotionele en mentale inspanning om het eigen handelen kritisch te beschouwen.
Praktisch opgeleide ouders gaan comfortabeler met verschillen om
Tijdens de verdediging werd de vraag gesteld door de commissie in hoeverre de bevindingen te generaliseren zijn. De onderzoeksgroep bestond vooral uit hoogopgeleide ouders die al positief stonden tegenover diversiteit. Schut benadrukte dat zij niet beoogde uitspraken te doen over ‘de gemiddelde Nederlander’. Juist het feit dat deze ouders, ondanks hun positieve houding, in de praktijk tegen grenzen aanlopen, acht zij veelzeggend. In eerder vergelijkend onderzoek bleek bovendien dat praktisch opgeleide ouders soms juist comfortabeler met verschil omgaan.
Integratie is een ongemakkelijk leerproces
Volgens Schut onderstreept haar onderzoek dat beleid zich niet alleen moet richten op het ‘gemengd maken’ van scholen door ouders zonder migratieachtergrond aan te trekken. Minstens zo belangrijk is aandacht voor wat die keuze in de praktijk betekent. “Dat aanpassing niet vanzelf gaat en gepaard kan gaan met verliesgevoelens en weerstand, betekent ook iets voor de dagelijkse praktijk op scholen,” concludeerde zij. Integratie, zo laat het onderzoek zien, is geen eenrichtingsproces, maar een voortdurend en soms ongemakkelijk leerproces voor alle betrokkenen.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor ouders laat het onderzoek zien dat kiezen voor een diverse schoolomgeving niet automatisch leidt tot wederzijds begrip of harmonie. Ook ouders die diversiteit expliciet omarmen, lopen in de dagelijkse praktijk tegen spanningen aan wanneer waarden, opvoedingsnormen en verwachtingen botsen. Samenleven met verschil vraagt voortdurende, vaak ongemakkelijke inspanning en zelfreflectie.
Voor scholen maakt het onderzoek zichtbaar dat diversiteit niet alleen een kwestie is van samenstelling, maar ook van interactie. Scholen fungeren als een belangrijke ontmoetingsplek waar verschillen expliciet worden gemaakt en soms worden uitvergroot. Hoe scholen omgaan met gevoelige onderwerpen, zoals seksuele voorlichting of ouderparticipatie, beïnvloedt direct hoe ouders ruimte ervaren om met verschil om te gaan.
Voor beleid en debat onderstreept het onderzoek dat integratie geen eenrichtingsproces is. Het aantrekken van ouders zonder migratieachtergrond naar zogenoemde meerderheids-minderheidscontexten is onvoldoende wanneer geen aandacht wordt besteed aan de dagelijkse praktijk van aanpassing, machtsverhoudingen en grenzen aan bereidheid tot meebewegen. Diversiteit vraagt actief onderhoud, ook van degenen die zichzelf als open en progressief beschouwen.
Bron: Schut, J. (2026). Beyond appreciation: How people without migration background engage with difference in majority–minority contexts. PhD-thesis, Vrije Universiteit Amsterdam. https://doi.org/10.5463/thesis.1467