De wetenschappers onderzochten hoe internationale mobiliteit binnen Erasmus+-projecten voor professionele ontwikkeling kan doorwerken in de manier waarop leraren hun beroep en hun rol binnen de school ervaren. De onderzoekers richtten zich op zogenoemde Erasmus+ Key Action 1-mobiliteiten. Dat zijn projecten waarbij leraren tijdelijk naar het buitenland gaan voor professionele ontwikkeling, bijvoorbeeld via cursussen, job-shadowing of samenwerking met scholen in andere landen. Het doel van zulke programma’s is om onderwijsprofessionals nieuwe perspectieven te laten opdoen en internationale samenwerking tussen scholen te versterken.
Voor hun studie analyseerden de onderzoekers de ervaringen van twee Nederlandse docenten uit het voortgezet onderwijs die aan zulke mobiliteiten hadden deelgenomen. Beide docenten werkten op dezelfde tweetalige middelbare school, waar een deel van het onderwijs in het Engels wordt gegeven volgens het CLIL-model. De school onderhoudt bovendien al langere tijd internationale contacten met partnerinstellingen in Europa.
Bijna drie decennia als kunstdocent
De twee leraren hadden verschillende professionele achtergronden. Eén van hen werkte al bijna drie decennia als kunstdocent en had ruime ervaring met internationale onderwijsprojecten. De andere docent gaf maatschappijleer en was daarnaast betrokken bij de opleiding van nieuwe leraren. Hij nam tweemaal deel aan een Erasmus+-mobiliteit in de vorm van job-shadowing, waarbij docenten lessen en schoolpraktijken in andere landen observeren.
Naast deze twee hoofddeelnemers spraken de onderzoekers ook met vijf collega-docenten van dezelfde school, een lid van de schoolleiding en een vertegenwoordiger van Nuffic, de organisatie die in Nederland het Erasmus+-programma uitvoert. Het onderzoek combineerde interviews, groepsgesprekken en biografische reflecties van de deelnemende docenten.
Met een andere blik naar hun werk te kijken
Uit de analyse komt naar voren dat de mobiliteiten bij beide leraren vooral een proces van professionele reflectie op gang brachten. Door tijdelijk in een andere onderwijscontext te werken, werden zij zich sterker bewust van de vanzelfsprekendheden van hun eigen onderwijspraktijk. De afstand tot de dagelijkse routine maakte het volgens hen mogelijk om met een andere blik naar hun werk te kijken.
De kunstdocent beschreef hoe het werken met collega’s en leerlingen in andere Europese landen haar hielp om haar eigen manier van lesgeven opnieuw te beoordelen. Door te zien hoe onderwijs elders wordt georganiseerd, werd duidelijk welke keuzes in haar eigen school voortkomen uit specifieke tradities of gewoonten.
Europese context van het onderwijs tastbaarder
De docent maatschappijleer ervoer iets vergelijkbaars tijdens zijn job-shadowing in onder meer Noorwegen en Spanje. Volgens hem gaf het bezoeken van scholen in andere landen een concreter beeld van de manier waarop onderwijs, cultuur en samenleving met elkaar verbonden zijn. Die ervaring maakte de Europese context van het onderwijs voor hem tastbaarder dan wanneer hij er alleen over had gelezen.
Beide docenten gaven aan dat hun deelname aan Erasmus+ hun gevoel van verbondenheid met een bredere Europese onderwijsomgeving versterkte. Het contact met leraren uit andere landen maakte volgens hen duidelijk dat veel onderwijsproblemen en pedagogische vragen in verschillende landen vergelijkbaar zijn.
Tegelijk leidde de internationale ervaring ook tot kritische reflectie. De docent maatschappijleer merkte bijvoorbeeld op dat werken in een Europese context hem bewuster maakte van het risico van eurocentrisme in onderwijsdiscussies. Volgens hem is het belangrijk dat leraren zich niet presenteren alsof Europese onderwijsmodellen vanzelfsprekend superieur zijn.
Niet altijd eenvoudig om die inspiratie na terugkeer vast te houden
In de focusgroep met collega’s kwam een vergelijkbaar beeld naar voren. De mobiliteiten werden door de deelnemers gezien als inspirerende ervaringen die nieuwe ideeën en perspectieven opleveren. Tegelijk merkten verschillende docenten op dat het niet altijd eenvoudig is om die inspiratie na terugkeer vast te houden in de dagelijkse schoolpraktijk.
Een punt dat in meerdere interviews terugkwam, was de administratieve belasting van Erasmus+-projecten. Zowel leraren als de vertegenwoordiger van Nuffic wezen op de omvang van de documentatie die voor zulke projecten moet worden aangeleverd. Ook de digitale platforms voor het indienen en beheren van aanvragen werden als complex en weinig flexibel ervaren.
Daarnaast werd gewezen op de toenemende concurrentie om Erasmus+-financiering. Omdat het aantal aanvragen vaak groter is dan het beschikbare budget, krijgen niet alle projectvoorstellen financiering. Dat kan volgens betrokkenen tot teleurstelling leiden bij scholen die tijd hebben geïnvesteerd in het voorbereiden van een aanvraag.
Aanvulling op bestaande vormen van professionalisering
Vanuit het perspectief van de schoolleiding werd Erasmus+ vooral gezien als een aanvulling op bestaande vormen van professionalisering. Veel reguliere professionaliseringsactiviteiten richten zich op vakinhoud of didactische vaardigheden, terwijl internationale mobiliteit volgens de geïnterviewde manager juist ruimte biedt voor bredere pedagogische reflectie.
Tegelijk gaf de schoolleiding aan dat de mobiliteiten op de onderzochte school nog maar beperkt leiden tot veranderingen op organisatieniveau. De ervaringen van individuele docenten worden wel gedeeld met collega’s, maar hebben tot nu toe weinig geleid tot structurele vernieuwing van het onderwijsbeleid van de school.
Ook de deelnemende leraren zelf wezen op deze beperking. Volgens de kunstdocent zijn mobiliteitsprojecten vaak sterk afhankelijk van individuele initiatiefnemers. Wanneer een docent die zich voor een project inzet vertrekt of een andere rol krijgt, kan een deel van de opgebouwde kennis en ervaring verloren gaan.
Niet vanzelfsprekend doorwerkt
Volgens de onderzoekers laat dit zien dat de impact van internationale mobiliteit niet vanzelfsprekend doorwerkt in de organisatie van een school. De persoonlijke leerervaringen van leraren kunnen waardevol zijn, maar krijgen pas bredere betekenis wanneer scholen mechanismen ontwikkelen om die kennis te delen en te verankeren.
De auteurs beschrijven Erasmus+-mobiliteiten daarom als een proces waarin persoonlijke biografie en professionele ontwikkeling samenkomen. De ervaringen van leraren in andere onderwijscontexten leiden niet alleen tot nieuwe ideeën voor de klas, maar ook tot een heroverweging van hun professionele identiteit.
Relatief welgestelde tweetalige school in Nederland
Tegelijk benadrukken de onderzoekers dat hun studie een beperkte reikwijdte heeft. Het onderzoek richtte zich op twee vrijwillige deelnemers van één relatief welgestelde tweetalige school in Nederland. Bovendien zijn de bevindingen gebaseerd op interviews en zelfbeschrijvingen van leraren.
Daarom pleiten zij voor vervolgonderzoek met grotere en meer diverse groepen leraren. Ook zou het volgens hen waardevol zijn om mobiliteitsprogramma’s over langere tijd te volgen en daarbij niet alleen interviews te gebruiken, maar ook observaties in de klas en gegevens over de effecten op leerlingen.
Volgens de onderzoekers kan dergelijk onderzoek helpen om beter te begrijpen onder welke voorwaarden internationale mobiliteit daadwerkelijk bijdraagt aan de ontwikkeling van leraren en scholen.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor scholen laat het onderzoek zien dat Erasmus+-mobiliteiten vooral effect hebben op individuele leraren. Zonder afspraken over kennisdeling, reflectie en samenwerking binnen het team blijven veel van de opgedane inzichten beperkt tot de deelnemers zelf.
Voor schoolleiders maken de resultaten duidelijk dat mobiliteitsprojecten kunnen bijdragen aan pedagogische reflectie en internationale oriëntatie van leraren. Tegelijk blijkt dat deze effecten niet vanzelf leiden tot schoolbrede innovatie wanneer er geen structurele inbedding in het professionaliseringsbeleid bestaat.
Voor beleidsmakers en Erasmus+-coördinatoren onderstrepen de bevindingen dat de impact van mobiliteiten mede afhankelijk is van institutionele voorwaarden. Mechanismen voor kennisdeling, professionele leergemeenschappen en langere trajecten kunnen helpen om individuele leerervaringen te vertalen naar bredere schoolontwikkeling.
Bron: Martins, P. C., Mearns, T., Alves, M. G. & Tinoca, L. (2026). Can Erasmus+ mobilities for schools affect teachers? The case of teachers in the Netherlands, European Educational Research Journal. DOI: https://doi.org/10.1177/14749041261429525