Het aantal tweetalige kinderen in het Nederlandse basisonderwijs neemt al jaren toe. Dat gebeurt niet alleen door asielmigratie, maar ook door kennismigratie en de komst van kinderen van arbeidsmigranten. Steeds meer basisschoolleerkrachten krijgen daardoor leerlingen in de klas voor wie Nederlands niet de eerste taal is. Nieuw onderzoek laat zien dat zij zich op dit punt onvoldoende toegerust voelen. Hoewel leerkrachten doorgaans goed zijn in het creëren van een veilige en warme leeromgeving, ontbreekt het hun vaak aan specifieke didactische kennis en vaardigheden om deze leerlingen effectief te ondersteunen. Daardoor blijven veel bewezen onderwijsmethoden uit de wetenschappelijke literatuur in de dagelijkse onderwijspraktijk ongebruikt.
Hardnekkige kloof
Het onderzoek is opgezet om een hardnekkige kloof in kaart te brengen tussen wat onderzoek laat zien over effectief NT2-onderwijs en wat er daadwerkelijk gebeurt in Nederlandse basisscholen. Door de groeiende culturele en taalkundige diversiteit in de samenleving stijgt het aantal leerlingen dat Nederlands als tweede taal leert.
Deze ontwikkeling stelt nieuwe eisen aan het leraarschap. Eerder onderzoek wees al uit dat leerkrachten zich vaak onvoldoende voorbereid voelen op lesgeven in multiculturele en meertalige klassen. De onderzoekers wilden daarom precies weten welke onderwijsstrategieën en materialen leerkrachten in de praktijk gebruiken om tweetalige leerlingen te ondersteunen, en waarom veel bewezen methoden niet worden toegepast.
De studie had de vorm van een casestudy op één Nederlandse basisschool in een sociaaleconomisch kwetsbare wijk. De school had een hoge schoolgewichtsscore van 38,15 tot 38,51, wat duidt op een complexe leerlingenpopulatie met veel sociaaleconomische en culturele uitdagingen. De onderzoekers kozen bewust voor deze context omdat hier de ondersteuningsbehoefte van leerlingen die Nederlands als tweede taal leren groot is en veel voorkomende problemen scherp zichtbaar worden. Er werden diepte-interviews afgenomen met de schooldirecteur en twee gespecialiseerde NT2-docenten, en daarnaast met zes reguliere groepsleerkrachten. Ook organiseerde het onderzoeksteam een focusgroep met leerkrachten om verschillende perspectieven te verzamelen.
Voorspelbare en ondersteunende leeromgeving
Uit de resultaten komt een consistent beeld naar voren. Reguliere groepsleerkrachten blijken zich competent te voelen in het pedagogische domein. Zij zijn goed in staat een veilige, voorspelbare en ondersteunende leeromgeving te creëren waarin tweetalige leerlingen zich welkom voelen. Tegelijkertijd ervaren zij grote onzekerheid over hun didactisch handelen.
Veel leerkrachten konden niet benoemen welke specifieke onderwijsstrategieën zij inzetten om deze leerlingen te ondersteunen. In plaats daarvan vertrouwen zij vooral op intuïtieve aanpakken, zoals het vereenvoudigen van opdrachten, het gebruik van extra uitleg, handgebaren of visuele ondersteuning. Deze werkwijzen zijn niet gebaseerd op expliciete didactische strategieën, maar ontstaan vooral vanuit het streven leerlingen sociaal te laten meedoen in de klas.
De hulpmiddelen zijn zeker wel aanwezig
Het contrast met de gespecialiseerde NT2-docenten is opvallend. Deze docenten beschikken wel over een duidelijk repertoire aan didactische strategieën en materialen. Zij noemen onder meer gestructureerde woordenschatmethoden, specifieke programma’s voor taalontwikkeling en technieken waarbij beweging en taal worden gecombineerd. Ook maken zij gebruik van uiteenlopende materialen, zoals letterkaarten, geheugen- en taalspelletjes, audioboeken en visuele hulpmiddelen. De studie laat daarmee zien dat de benodigde kennis en hulpmiddelen binnen het onderwijssysteem wel degelijk aanwezig zijn, maar onvoldoende doorstromen naar de reguliere groepen waar de meeste tweetalige leerlingen uiteindelijk onderwijs volgen.
Daarnaast signaleren de onderzoekers structurele knelpunten. Reguliere leerkrachten geven aan dat zij vooral in de hogere groepen weinig geschikte materialen tot hun beschikking hebben, terwijl juist leerlingen die net uit een taalklas instromen daar vaak extra ondersteuning nodig hebben. Ook ervaren zij dat nascholing over NT2-onderwijs wel interessante inzichten biedt, maar dat de aangereikte methoden lastig toepasbaar zijn binnen het bestaande schoolsysteem en de klassikale organisatie. Daardoor blijft de opgedane kennis vaak theoretisch en vindt zij geen vertaling naar de dagelijkse praktijk.
Op zoek naar huis in Syrië
Een belangrijk thema dat in het onderzoek naar voren komt, is trauma-sensitief onderwijs. Een deel van de leerlingen die Nederlands als tweede taal leren, heeft een vluchtachtergrond en kan te maken hebben met ingrijpende ervaringen. Een NT2-docent beschrijft hoe een leerling tijdens de les via Google Maps op zoek ging naar haar huis in Syrië in plaats van aan een spellingopdracht te werken. Dit voorbeeld illustreert hoe emotionele belasting het leerproces kan beïnvloeden. Leerkrachten geven aan dat zij behoefte hebben aan meer kennis over trauma en de invloed daarvan op leren en gedrag, maar dat deze expertise in hun opleiding en nascholing grotendeels ontbreekt .
Ook de samenwerking tussen reguliere leerkrachten en NT2-specialisten blijkt beperkt. Hoewel beide groepen aangeven dat zij meer zouden willen samenwerken, blijven contactmomenten vaak incidenteel en afhankelijk van individuele initiatieven. Structurele vormen van kennisdeling ontbreken, waardoor specialistische expertise onvoldoende wordt benut in de reguliere klaspraktijk.
Moeite met de meer cultureel en contextueel gerichte competenties
Ten slotte besteden de onderzoekers aandacht aan cultureel responsief klassenmanagement. Volgens bestaande modellen beschikken effectieve leerkrachten in multiculturele klassen over vijf kerncompetenties, waaronder reflectie op de eigen culturele achtergrond, kennis van de leefwereld van leerlingen en begrip van bredere sociale en politieke contexten. Het onderzoek laat zien dat Nederlandse leerkrachten vooral sterk zijn in het creëren van een zorgzame omgeving en het toepassen van algemene didactische vaardigheden, maar moeite hebben met de meer cultureel en contextueel gerichte competenties.
De onderzoekers concluderen dat de kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk groot is. Er bestaan veel bewezen strategieën voor het ondersteunen van leerlingen die Nederlands als tweede taal leren, maar deze worden nauwelijks toegepast in reguliere basisschoolklassen. Dat hangt samen met een gebrek aan gerichte didactische scholing, beperkte toegang tot materialen en een onderwijssysteem dat weinig ruimte laat voor differentiatie en structurele samenwerking.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor docenten en mentoren laat dit onderzoek zien dat leerlingen hun onderwijstraject vaak ervaren als het resultaat van eigen keuzes en inzet, ook wanneer formele keuzeruimte beperkt is. Het expliciet benoemen van hoe selectie, doorstroom en afstroom in het systeem daadwerkelijk werken kan helpen om verwachtingen te verduidelijken, zonder het gevoel van handelingsruimte bij leerlingen volledig weg te nemen.
Voor decanen en loopbaanbegeleiders maakt het onderzoek zichtbaar dat leerlingen structurele barrières, zoals beperkte mobiliteit of vroege selectie, zelden vanzelf koppelen aan hun eigen onderwijsuitkomsten. Het bespreekbaar maken van verschillende routes, inclusief de voorwaarden en kwetsbaarheden van opstroom en diplomastapeling, sluit aan bij hoe leerlingen hun mogelijkheden zelf interpreteren.
Voor schoolleiders en beleidsmakers onderstreept de studie het belang van aandacht voor leerlingpercepties bij de inrichting van keuzemomenten en begeleiding. Omdat leerlingen sterk meritocratisch denken en succes of falen primair aan zichzelf toeschrijven, kan beleid dat uitsluitend uitgaat van formele structuurkenmerken tekortschieten in de aansluiting op hun geleefde ervaring.
Voor ouders laat het onderzoek zien hoe sterk ouderlijke verwachtingen doorwerken in de manier waarop leerlingen hun keuzevrijheid en verantwoordelijkheid ervaren. Bewustzijn van deze invloed kan bijdragen aan meer ruimte voor verschillende onderwijsroutes, ook wanneer deze afwijken van de hoogste hiërarchische positie in het systeem.
DOI: 10.1177/14749041251401055