De studie van de Universiteit Utrecht, de HAN en de Hogeschool Leiden richt zich op de vraag hoe beginnende leraren hun eigen functioneren beoordelen en welke ervaringen van invloed zijn op dat oordeel.
Zelfwaardering wordt in het onderzoek gedefinieerd als de evaluatie van het verschil tussen het actuele zelfbeeld en het ideaalbeeld dat iemand van zichzelf als docent heeft. Het gaat dus om de vraag in hoeverre iemand vindt dat hij of zij al de docent is die hij of zij wil zijn.
De gegevens zijn verzameld via semi-gestructureerde dagboeken. Startende docenten schreven halverwege hun eerste werkjaar reflecties over hun zelfbeeld, eventuele veranderingen daarin en de ervaringen die daarop van invloed waren. In het artikel zijn verschillende letterlijke citaten uit die dagboeken opgenomen om de drie onderscheiden vormen van zelfwaardering te illustreren.
Drie typen zelfwaardering
Uit de analyse kwamen drie typen naar voren. Van de 91 docenten rapporteerden er 50 een hoge zelfwaardering, 10 een lage en 31 een gematigde vorm waarin positieve en negatieve elementen naast elkaar bestaan.
Docenten met een hoge zelfwaardering beschrijven zichzelf in uitgesproken positieve termen. Een 25-jarige docent Frans schrijft bijvoorbeeld: “Mijn beeld van mezelf als docent is positief. Ik krijg positieve feedback van mijn leerlingen en ik voel me gewoon zeker in mijn klas. Het kost me minder moeite om te werken, en zo hoort het ook te zijn.”
Een docent Economie van dezelfde leeftijd typeert zichzelf als “een betrokken en vriendelijke docent”. Hij schrijft dat hij altijd beschikbaar is voor zijn leerlingen, zich kan inleven in hun belevingswereld en het belangrijk vindt dat iedereen respect toont. Zulke beschrijvingen gaan vaak samen met ervaringen die het zelfbeeld bevestigen, zoals positieve reacties van leerlingen.
Hoge zelfwaardering betekent overigens niet dat er geen twijfels zijn. Een 22-jarige docent Wiskunde beschrijft hoe hij zich aan het begin van het schooljaar onzeker voelde omdat hij maar een paar jaar ouder was dan zijn leerlingen. “Vooral in het begin had ik niet veel zelfvertrouwen. Ik was bang om discussies met mijn leerlingen aan te gaan.” In zijn reflectie laat hij zien hoe die onzekerheid geleidelijk plaatsmaakte voor meer zelfvertrouwen.
Op dit moment heb ik een ongelooflijk slecht beeld van mezelf
Bij de groep met lage zelfwaardering is de toon duidelijk anders. Een 27-jarige docent Wiskunde schrijft: “Op dit moment heb ik een ongelooflijk slecht beeld van mezelf als docent. Ik kan alleen maar kijken naar wat er niet goed ging, vaak omdat mijn verwachtingen van mezelf veel te hoog zijn.”
Hij voegt eraan toe dat hij het bewust oppervlakkig houdt, “anders kan ik het de rest van de avond niet meer loslaten”. In zulke fragmenten overheerst een negatieve beoordeling van het eigen functioneren en blijkt hoe sterk dit doorwerkt in het welbevinden.
Een docent Kunst en Techniek verwijst naar perfectionisme als belemmerende factor. Zij schrijft dat haar neiging tot perfectionisme leidt tot hoge persoonlijke eisen en voortdurende zelfreflectie. Volgens de onderzoekers rapporteren docenten met lage zelfwaardering vaker ervaringen die niet aansluiten bij het gewenste beeld van zichzelf als docent. Zulke zogenoemde discontinue ervaringen versterken gevoelens van twijfel en onzekerheid .
Ik ben op dit moment nog niet de docent die ik wil zijn
Ongeveer een derde van de docenten vertoont een gematigde zelfwaardering. In hun dagboeken bestaan positieve en negatieve elementen naast elkaar. Een 24-jarige docent Engels schrijft: “Ik heb geen positief beeld van mezelf als docent, in die zin dat er nog genoeg verbeterpunten zijn. Maar ik merk dat ik mijn weg in de school beter begin te vinden.”
Hij beschrijft hoe hij zoekt naar een balans tussen consequent en vriendelijk zijn. Een 46-jarige docent Wiskunde formuleert het als volgt: “Ik ben op dit moment nog niet de docent die ik wil zijn, maar ik boek wel kleine stappen in de goede richting.”
Ook hier spelen spanningen een rol. Een docent Nederlands schrijft dat haar beeld van zichzelf nog niet overeenkomt met de docent die zij wil zijn. Ze voelt minder onzekerheid dan in het begin, maar die onzekerheid belemmert haar nog steeds om echt positief naar zichzelf te kijken. Ze spreekt over het zoeken naar evenwicht tussen het benoemen van verbeterpunten en het erkennen van kleine successen.
Bescherming tegen stress en uitval
In de bespreking plaatsen de auteurs hun bevindingen in een bredere wetenschappelijke context. Zij benadrukken dat zelfwaardering mogelijk voorspellende waarde heeft voor uiteenlopende uitkomsten, zoals motivatie, zelfeffectiviteit en betrokkenheid, maar ook voor stress, burn-out en uitval. Daarmee positioneren zij zelfwaardering als een analytisch concept dat verder gaat dan individuele gevoelens: het raakt aan de professionele socialisatie van beginnende docenten.
Een belangrijk theoretisch punt in het artikel is dat de gebruikelijke tweedeling tussen hoge en lage zelfwaardering tekortschiet. De identificatie van een derde categorie, gematigde zelfwaardering, laat volgens de onderzoekers zien dat positieve en negatieve elementen gelijktijdig aanwezig kunnen zijn.
Past bij de ontwikkelfase
Zij kiezen bewust voor de term gematigd, en niet voor bijvoorbeeld ‘gemiddeld’ of ‘gefragmenteerd’, om te benadrukken dat het hier niet noodzakelijk om een problematische toestand gaat. Voor veel starters kan deze combinatie van twijfel en vertrouwen passen bij een ontwikkelingsfase waarin professionele identiteit nog in beweging is.
Daarnaast wijzen de auteurs op het belang van context. Ervaren continuïteit en discontinuïteit ontstaan niet in een vacuüm, maar in concrete interacties met leerlingen, collega’s en schoolleiders . Zelfwaardering is daarmee geen statische eigenschap, maar het tijdelijke resultaat van een voortdurende vergelijking tussen ideaal en praktijk, gevoed door dagelijkse ervaringen.
Niet iedere starter heeft dezelfde ondersteuning nodig
De onderzoekers wijzen erop dat bijna de helft van de startende docenten een gematigde of lage zelfwaardering rapporteert . Lage zelfwaardering wordt in het artikel beschreven als een positie die kwetsbaar kan zijn, mede in het licht van eerder onderzoek naar stress, burn-out en uitval onder leraren.
Het onderscheiden van drie typen zelfwaardering biedt volgens de auteurs aanknopingspunten voor begeleiding. Niet iedere starter heeft dezelfde ondersteuning nodig. Waar sommige docenten vooral ruimte nodig hebben om hun ontwikkeling voort te zetten, hebben anderen gerichte ondersteuning nodig bij het omgaan met negatieve ervaringen en hoge zelfeisen.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor schoolleiders en besturen in het voortgezet onderwijs laat dit onderzoek zien dat startende docenten sterk verschillen in hun zelfwaardering en dat vooral lage zelfwaardering samenhangt met ervaren discontinuïteit en kwetsbaarheid. Het expliciet bespreken van hoe starters zichzelf als docent beoordelen kan helpen om tijdig passende ondersteuning te organiseren.
Voor mentoren en coaches onderstrepen de resultaten het belang van gerichte begeleiding rond concrete klaservaringen. Het helpen duiden van spanningen tussen ideaalbeeld en dagelijkse praktijk kan bijdragen aan verdere professionele ontwikkeling.
Voor ontwerpers van inductieprogramma’s maakt de studie duidelijk dat differentiatie nodig is. Docenten met hoge, lage en gematigde zelfwaardering vragen om verschillende accenten in begeleiding, waarbij zowel behoud van gemotiveerde starters als ondersteuning van kwetsbare groepen aandacht verdient.
Bron: Schaap, H., Oolbekkink-Marchand, H., Van der Want, A. & Meijer, P.C. (2026). Experiences affecting early-career teachers’ self-esteem in secondary education, Journal of Education for Teaching. DOI: https://doi.org/10.1080/02607476.2026.2630283