Dat blijkt uit een omvangrijk proefschriftonderzoek van de UvA onder leerlingen in Nederland en China, waarin sociaal wantrouwen in de vroege adolescentie systematisch is onderzocht.
De vroege adolescentie, grofweg tussen tien en veertien jaar, geldt als een cruciale fase waarin jongeren leren wanneer vertrouwen gerechtvaardigd is en wanneer terughoudendheid nodig kan zijn. Hoewel er veel onderzoek bestaat naar sociaal wantrouwen bij volwassenen, is over deze ontwikkelingsfase tot nu toe relatief weinig bekend. Het proefschrift richt zich daarom op de vraag hoe sociaal wantrouwen zich in deze periode manifesteert, of het verschilt tussen culturele en onderwijscontexten, en hoe het samenhangt met relaties tussen leerlingen en hun leraren en klasgenoten.
Drie vormen van wantrouwen in het basisonderwijs
Uit het eerste deel van het onderzoek blijkt dat jonge adolescenten daadwerkelijk onderscheid maken tussen verschillende vormen van wantrouwen. In een studie onder 1243 Nederlandse leerlingen uit groep 8 werden drie afzonderlijke factoren vastgesteld: algemeen wantrouwen, wantrouwen ten opzichte van leraren en wantrouwen ten opzichte van leeftijdsgenoten. Dit model verklaarde de data beter dan een model waarin wantrouwen als één enkel construct werd opgevat.
Alle drie de vormen van wantrouwen hingen samen met agressief gedrag en sociale angst. Tegelijkertijd bleek alleen wantrouwen ten opzichte van leeftijdsgenoten samen te hangen met gedrag in een online taak die bedoeld was om wantrouwen in interactie met peers te meten. Wantrouwen ten opzichte van leraren en algemeen wantrouwen vertoonden deze samenhang niet. Daarmee sluiten de bevindingen aan bij eerder onderzoek dat laat zien dat leraren en leeftijdsgenoten verschillende sociale functies vervullen in het leven van adolescenten.
Culturele verschillen tussen Nederland en China
In een vervolgstudie is onderzocht of sociaal wantrouwen verschilt tussen culturele contexten. Daarbij zijn gegevens vergeleken van 817 Chinese leerlingen uit groep 6 en 248 Nederlandse leerlingen uit groep 8. Vooraf is vastgesteld dat de gebruikte vragenlijsten voldoende vergelijkbaar waren om internationale vergelijkingen mogelijk te maken.
De resultaten laten zien dat Chinese jonge adolescenten meer algemeen wantrouwen rapporteerden dan Nederlandse leeftijdsgenoten. Nederlandse leerlingen daarentegen rapporteerden meer wantrouwen ten opzichte van leeftijdsgenoten. Voor wantrouwen ten opzichte van leraren werden geen significante verschillen tussen beide landen gevonden.
De onderzoekers onderzochten vervolgens of individuele culturele waarden deze verschillen konden verklaren. Nederlandse leerlingen scoorden hoger op interpersoonlijke afhankelijkheid en risicovermijding dan Chinese leerlingen. De hogere interpersoonlijke afhankelijkheid onder Nederlandse adolescenten verklaarde volledig het verschil in algemeen wantrouwen tussen beide landen.
Het hogere niveau van risicovermijding verklaarde gedeeltelijk waarom Nederlandse leerlingen meer wantrouwen ten opzichte van leeftijdsgenoten rapporteerden. Daarmee laat het onderzoek zien dat culturele verschillen in sociaal wantrouwen samenhangen met individuele waarden binnen landen.
Veranderingen bij de overgang naar het voortgezet onderwijs
Naast culturele contexten is ook gekeken naar verschillen tussen onderwijscontexten. In een longitudinale studie onder meer dan 300 Chinese leerlingen is onderzocht hoe sociaal wantrouwen zich ontwikkelt tijdens de overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs. Leerlingen werden gevolgd vanaf het einde van groep 8 tot halverwege het eerste jaar van het voortgezet onderwijs.
Uit deze analyses blijkt dat wantrouwen ten opzichte van leraren gemiddeld toeneemt na de overgang naar het voortgezet onderwijs. Wantrouwen ten opzichte van leeftijdsgenoten bleef in diezelfde periode stabiel. Dit wijst erop dat veranderingen in onderwijscontext vooral relevant zijn voor wantrouwen richting leraren en minder voor wantrouwen richting peers.
Samenhang tussen wantrouwen en schoolrelaties
Het proefschrift onderzoekt ook hoe sociaal wantrouwen samenhangt met de kwaliteit van interpersoonlijke relaties op school. In een cross-sectionele studie onder 1065 leerlingen uit China en Nederland bleek wantrouwen ten opzichte van leraren samen te hangen met minder nabijheid en meer conflict in de relatie met een specifieke leerkracht. Wantrouwen ten opzichte van leeftijdsgenoten hing samen met minder acceptatie en meer afwijzing door klasgenoten.
Daarnaast werd een spillover-effect gevonden. Wantrouwen richting leeftijdsgenoten hing niet alleen samen met relaties met peers, maar ook met meer conflict in de relatie met een leerkracht. Dit wijst erop dat wantrouwen richting leeftijdsgenoten breder kan doorwerken binnen de schoolcontext.
Beperkte verbanden over tijd
Wanneer deze verbanden longitudinaal werden onderzocht, ontstond een ander beeld. Sociaal wantrouwen in groep 8 bleek geen voorspeller te zijn van de relaties die leerlingen in het voortgezet onderwijs opbouwden met hun mentor of klasgenoten. Dat gold zowel voor wantrouwen ten opzichte van leraren als voor wantrouwen ten opzichte van leeftijdsgenoten.
Binnen het eerste jaar van het voortgezet onderwijs werden wel wederkerige verbanden gevonden voor wantrouwen richting leraren. Een toename van dit wantrouwen in het eerste halfjaar hing samen met meer conflict met de mentor in de tweede helft van het jaar. Omgekeerd hing meer nabijheid met de mentor in het eerste halfjaar samen met een afname van wantrouwen richting leraren later dat jaar. Voor wantrouwen ten opzichte van leeftijdsgenoten werden geen vergelijkbare verbanden over tijd gevonden.
Culturele verschillen in de rol van leraren
Tot slot is onderzocht of de samenhang tussen wantrouwen en relaties verschilt tussen culturele contexten. Daarbij bleek dat het verband tussen wantrouwen ten opzichte van leraren en de relatie met een specifieke leerkracht sterker was voor Nederlandse dan voor Chinese leerlingen. Voor wantrouwen ten opzichte van leeftijdsgenoten werden geen culturele verschillen gevonden in de samenhang met relaties met klasgenoten.
Deze bevindingen ondersteunen de conclusie dat sociaal wantrouwen referentspecifiek is en dat vooral wantrouwen richting leraren gevoelig is voor culturele en onderwijscontexten.
Wantrouwen als contextafhankelijke aanpassing
In de conclusie benadrukt het proefschrift dat sociaal wantrouwen in de vroege adolescentie niet kan worden opgevat als één algemene sociale overtuiging. De verschillende ontwikkelingspatronen, culturele verschillen en uiteenlopende verbanden met relaties op school laten zien dat wantrouwen richting leraren, wantrouwen richting leeftijdsgenoten en algemeen wantrouwen elk een eigen functie hebben. Daarmee fungeert sociaal wantrouwen volgens de onderzoekers als een specifieke indicator van hoe jonge adolescenten zich aanpassen aan hun sociale omgeving, en niet als een uniform en stabiel schema.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor docenten en mentoren laat dit onderzoek zien dat leerlingen hun onderwijstraject vaak ervaren als het resultaat van eigen keuzes en inzet, ook wanneer formele keuzeruimte beperkt is. Het expliciet benoemen van hoe selectie, doorstroom en afstroom in het systeem daadwerkelijk werken kan helpen om verwachtingen te verduidelijken, zonder het gevoel van handelingsruimte bij leerlingen volledig weg te nemen.
Voor decanen en loopbaanbegeleiders maakt het onderzoek zichtbaar dat leerlingen structurele barrières, zoals beperkte mobiliteit of vroege selectie, zelden vanzelf koppelen aan hun eigen onderwijsuitkomsten. Het bespreekbaar maken van verschillende routes, inclusief de voorwaarden en kwetsbaarheden van opstroom en diplomastapeling, sluit aan bij hoe leerlingen hun mogelijkheden zelf interpreteren.
Voor schoolleiders en beleidsmakers onderstreept de studie het belang van aandacht voor leerlingpercepties bij de inrichting van keuzemomenten en begeleiding. Omdat leerlingen sterk meritocratisch denken en succes of falen primair aan zichzelf toeschrijven, kan beleid dat uitsluitend uitgaat van formele structuurkenmerken tekortschieten in de aansluiting op hun geleefde ervaring.
Voor ouders laat het onderzoek zien hoe sterk ouderlijke verwachtingen doorwerken in de manier waarop leerlingen hun keuzevrijheid en verantwoordelijkheid ervaren. Bewustzijn van deze invloed kan bijdragen aan meer ruimte voor verschillende onderwijsroutes, ook wanneer deze afwijken van de hoogste hiërarchische positie in het systeem.
DOI: 10.1177/14749041251401055