Dat blijkt uit een interviewstudie onder twaalf leerlingen in het Nederlandse nieuwkomersonderwijs. De onderzoekers laten zien dat leerlingen tegelijk verschillende, soms ogenschijnlijk tegenstrijdige opvattingen hebben over taalgebruik op school, die samenhangen met hun positie als klasgenoot, leerling, nieuwkomer, migrant en kind van hun ouders.
Minder dan een jaar onderwijs in een Nederlandse taalklas.
Het onderzoek is uitgevoerd door wetenschappers van de Universiteit Utrecht, de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool Utrecht op een nieuwkomersschool naast een asielzoekerscentrum. In totaal werden twaalf leerlingen tussen negen en twaalf jaar geïnterviewd, zes afkomstig uit Syrië en zes uit Irak. Zij spraken thuis Arabisch of Kurmanci en volgden minder dan een jaar onderwijs in een Nederlandse taalklas.
Centraal stond hun ervaring met zogenoemde translanguaging: een meertalige onderwijsaanpak waarbij leerlingen hun volledige talenrepertoire mogen inzetten om leerstof te begrijpen en eraan deel te nemen. De onderzoekers wijzen erop dat nieuwkomers voor een dubbele opgave staan: zij moeten tegelijk de instructietaal leren én vakinhoud verwerven in diezelfde, voor hen nieuwe taal. Eerder onderzoek richtte zich vooral op leraren; de stem van leerlingen ontbrak grotendeels. Deze studie beoogde juist die stemmen in kaart te brengen.
Leerlingen mochten hun thuistaal zowel in de les als in de pauze gebruiken
De school waar het onderzoek plaatsvond had in de drie jaar voorafgaand aan de studie samen met de onderzoekers een translanguagingpraktijk ontwikkeld. Het gebruik van thuistalen was er onderdeel van de dagelijkse onderwijspraktijk. Leerlingen mochten hun thuistaal zowel in de les als in de pauze gebruiken, zolang dat bijdroeg aan begrip en communicatie. Als een taal werd gebruikt om anderen uit te sluiten, was dat niet toegestaan.
De dataverzameling bestond uit twee onderdelen per leerling. Eerst maakten de leerlingen in kleine groepen een zogenoemd taalportret: zij kleurden een silhouet in en koppelden kleuren aan talen die zij spraken. Vervolgens volgde een individueel of tweetalig interview waarin zij vertelden wanneer en hoe zij hun verschillende talen gebruiken, hoe zij dat ervaren, welke taalregels op school gelden en wat zij zouden wensen voor hun verdere schoolloopbaan. De analyse vond plaats vanuit het perspectief van ‘meerstemmigheid’: per leerling werden meerdere stemmen onderscheiden van waaruit hij of zij sprak.
Ik heb geen keuze en ben gedwongen om te helpen in het Koerdisch
Bij alle twaalf leerlingen identificeerden de onderzoekers vier terugkerende stemmen. In de rol van klasgenoot gebruikten leerlingen hun moedertaal om elkaar te helpen bij het begrijpen van de lesstof. Verschillende leerlingen gaven aan dat dit noodzakelijk was om toegang te krijgen tot het curriculum. Een leerling formuleerde het als volgt: “Ik heb geen keuze en ben gedwongen om te helpen in het Koerdisch. Als ze goed Nederlands konden spreken, hoefde ik niet te helpen.” Deze hulp werd ook ervaren als iets positiefs: leerlingen voelden zich nuttig en bekwaam wanneer zij konden vertalen of uitleggen.
In de stem van leerling beschreven alle geïnterviewden dat zij individueel meer dan één taal gebruikten bij het leren. Sommigen wisselden van taal afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van de leerstof. Zo gaf een leerling aan eenvoudige opdrachten in het Nederlands te maken, maar bij complexere inhoud terug te vallen op de thuistaal. Andere leerlingen vertelden dat zij thuis met behulp van een telefoon woorden opzochten die zij op school niet konden vertalen, omdat het gebruik van telefoons daar beperkt was.
Leuk om meerdere talen te spreken
In de stem van meertalige persoon spraken negen van de twaalf leerlingen expliciet trots uit op hun talenkennis. Zij benadrukten dat talen in principe gelijkwaardig zijn en dat zij het leuk vinden om meerdere talen te spreken. Tegelijk pasten zij hun taalgebruik aan aan de context: afhankelijk van de gesprekspartner of het land waarin zij verbleven kozen zij voor een andere taal.
Een vierde terugkerende stem betrof de leraar als ‘innerlijke ander’. Leerlingen verwezen geregeld naar taalregels die door leraren waren uitgelegd. Sommigen benadrukten dat zo veel mogelijk Nederlands gesproken moest worden om die taal te oefenen, anderen dat Nederlands verplicht was wanneer de leraar moest kunnen begrijpen wat er werd gezegd. Opvallend is dat leerlingen die dagelijks in hetzelfde lokaal zaten, de regels niet identiek formuleerden.
Naast deze vier stemmen kwamen bij een deel van de leerlingen nog drie aanvullende stemmen naar voren. In de rol van nieuwkomer erkenden zeven leerlingen het maatschappelijke gewicht van het Nederlands. Zij vertelden over gevoelens van boosheid of angst in de eerste weken, toen zij zich niet konden uitdrukken in het Nederlands. Sommigen gaven aan liever uitsluitend Nederlandstalige klasgenoten te hebben om sneller Nederlands te leren.
Verwarring over leerinhoud
In de stem van migrant spraken enkele leerlingen over ervaringen in verschillende landen en scholen, waarbij lesprogramma’s niet altijd op elkaar aansloten. Dit leidde tot verwarring over leerinhoud en aanpak. Daarnaast werd bij sommige leerlingen de stem van ouders zichtbaar. Sommige ouders stimuleerden het behoud van de thuistaal door thuis vertalingen te vragen; andere ouders verwachtten juist dat hun kind hen Nederlands zou leren.
De onderzoekers concluderen dat tegenstrijdige opvattingen bij één en dezelfde leerling geen inconsistentie vormen, maar verschillende stemmen die voortkomen uit uiteenlopende sociale relaties, persoonlijke ervaringen en toekomstwensen. Een leerling kan de thuistaal noodzakelijk vinden om leerstof te begrijpen en tegelijk vinden dat hij of zij zo snel mogelijk Nederlands moet leren om te kunnen deelnemen aan de samenleving. Beide overtuigingen bestaan naast elkaar.
Niet kiezen tussen een strikt eentalige of volledig meertalige aanpak
Op basis hiervan pleiten de onderzoekers ervoor om niet te kiezen tussen een strikt eentalige of volledig meertalige aanpak. Zij adviseren een contextgevoelige benadering waarin leraren per situatie afwegen wanneer het gebruik van de thuistaal ondersteunend is en wanneer expliciete oefening in de instructietaal prioriteit heeft. Daarbij bevelen zij aan om leerlingen zelf te betrekken bij het taalbeleid en om dat beleid te laten meebewegen met hun groei in vakkennis en taalvaardigheid.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor scholen in het nieuwkomersonderwijs laat dit onderzoek zien dat leerlingen hun thuistaal als noodzakelijk ervaren om leerstof te begrijpen en elkaar te helpen, terwijl zij tegelijk het belang van het Nederlands onderstrepen. Een vaststaand eentalig of meertalig model doet geen recht aan die dubbele behoefte.
Voor leraren betekent dit dat taalkeuzes per situatie moeten worden afgewogen. Leerlingen beschrijven dat zij bij complexe inhoud terugvallen op hun moedertaal en dat zij Nederlands oefenen wanneer dat doel centraal staat. Het gesprek over wanneer welke taal passend is, blijkt onderdeel van het leerproces.
Voor schoolleiders en beleidsmakers maken de resultaten duidelijk dat taalbeleid gebaat is bij flexibiliteit en ontwikkeling in de tijd. Naarmate leerlingen meer vakkennis en taalvaardigheid opbouwen, kan de balans tussen thuistaal en instructietaal verschuiven. Het betrekken van leerlingen bij dit beleid sluit aan bij hun eigen ervaringen en wensen.
Bron: Stolte, L., Bakker, A., Smit, J. & Blom, E. (2026). Students’ voices on translanguaging in primary newcomer education, Learning in Context, 3, 100020. DOI: https://doi.org/10.1016/j.lecon.2026.100020