Primair onderwijs

Wanneer wordt onderwijs over duurzaamheid indoctrinatie? Onderzoekers zoeken uitweg

Wie leerlingen wil overtuigen van de noodzaak van duurzaamheid, kan botsen met het recht van kinderen en ouders op vrijheid van denken en overtuiging. Een internationale groep onderzoekers, onder wie een van de Universiteit Utrecht, stelt daarom dat verhalen en denkbeeldige toekomstbeelden een manier kunnen zijn om die spanning te overbruggen.

De studie, gepubliceerd in Ethics and Education, onderzoekt de spanning tussen duurzaamheidsadvocacy in het onderwijs en het wettelijk beschermde recht op vrijheid van gedachte, geweten en religie. Scholen worden vaak gezien als belangrijke plekken om kennis en waarden over duurzaamheid over te dragen. Tegelijk kan het actief bevorderen van bepaalde standpunten problematisch worden wanneer dat botst met de rechten van ouders en kinderen om hun eigen overtuigingen te vormen.

Negen planetaire grenzen zijn overschreden

De auteurs plaatsen die spanning in de context van de huidige ecologische crisis. Het syntheserapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPPC) concludeert met zeer grote zekerheid dat klimaatverandering een bedreiging vormt voor menselijk welzijn en planetaire gezondheid.

Daarnaast wijzen onderzoekers uit de aard­systeem­wetenschappen erop dat inmiddels zes van de negen planetaire grenzen zijn overschreden, wat erop wijst dat de aarde zich buiten een veilige operationele ruimte voor de mensheid bevindt.

Kinderen mogen hun eigen overtuiging hebben

Tegelijkertijd bestaat er een juridisch kader dat de vrijheid van denken beschermt. Het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind bepaalt dat staten het recht van het kind op vrijheid van gedachte, geweten en religie moeten respecteren. Dat betekent niet alleen dat kinderen hun eigen overtuigingen mogen hebben, maar ook dat zij niet mogen worden gedwongen bepaalde opvattingen over te nemen.

Ook ouders hebben rechten in dit verband. Volgens internationale mensenrechtenverdragen moeten staten hun rol respecteren bij de geestelijke vorming van hun kinderen. Ouders hebben bovendien een primaire rol bij het bepalen van het soort onderwijs dat hun kinderen ontvangen.

Ouders kunnen dergelijke activiteiten als indoctrinatie zien

Die juridische bescherming kan botsen met onderwijs over duurzaamheid. De auteurs illustreren dit met het voorbeeld van een leraar die leerlingen informeert over klimaatverandering en hen aanmoedigt duurzame keuzes te maken. Ouders kunnen dergelijke activiteiten als indoctrinatie zien, bijvoorbeeld wanneer leerlingen worden gestimuleerd hun ouders aan te spreken op energiegebruik of wanneer een klas deelneemt aan een klimaatprotest.

Ook nationale wetgeving speelt hierbij een rol. In Engeland verbiedt de Education Act van 1996 het bevorderen van partijpolitieke standpunten in het onderwijs. In 2007 werd dat principe getest in een rechtszaak over het gebruik van de klimaatfilm An Inconvenient Truth op scholen. De rechter oordeelde dat de film weliswaar gebaseerd was op wetenschappelijk onderzoek, maar ook een politieke dimensie had. Uiteindelijk mocht de film worden gebruikt, mits leraren begeleidende uitleg gaven en discussie stimuleerden.

Schuld en schaamte

De onderzoekers wijzen erop dat duurzaamheidsonderwijs nog andere risico’s kent. Empirisch onderzoek laat zien dat onderwijs voor duurzame ontwikkeling soms gepaard gaat met gevoelens van schuld en schaamte bij jongeren. Leerlingen kunnen het idee krijgen dat zij verantwoordelijk zijn voor milieuproblemen die door eerdere generaties zijn veroorzaakt. Ook bestaat het risico dat duurzaamheidsvraagstukken vooral als individuele gedragskwesties worden gepresenteerd, terwijl ze ook politieke en structurele dimensies hebben.

Een strikt neutrale aanpak biedt volgens de auteurs evenmin een oplossing. Het simpelweg presenteren van twee kanten van een debat kan een misleidend beeld geven wanneer er binnen de wetenschap brede consensus bestaat, zoals bij klimaatverandering. Tegelijk kan het uitsluitend presenteren van wetenschappelijke feiten pedagogisch onvoldoende zijn om leerlingen te laten nadenken over de ethische en maatschappelijke implicaties van die kennis.

Een pedagogische tussenruimte

Als alternatief introduceren de onderzoekers het idee van de klas als een zogenoemde pedagogische tussenruimte, ontleend aan het werk van Hannah Arendt. In zo’n tussenruimte vormt de klas een overgangsgebied tussen het private domein van het gezin en het publieke domein van de samenleving. Leerlingen kunnen er ideeën verkennen, meningsverschillen bespreken en hun eigen standpunten ontwikkelen zonder direct de gevolgen van het publieke debat te ondervinden.

Die pedagogische tussenruimte is volgens de auteurs niet volledig neutraal. Leraren hebben een professionele verantwoordelijkheid om democratische vaardigheden, kritisch denken en respectvolle omgang met verschillende standpunten te bevorderen. Het doel is niet dat alle leerlingen dezelfde mening aannemen, maar dat zij geïnformeerde en beredeneerde standpunten leren formuleren.

Een belangrijke rol voor narratieve ethiek

Binnen die benadering zien de onderzoekers een belangrijke rol voor narratieve ethiek. In plaats van uitsluitend te werken met abstracte principes of feiten, richt deze benadering zich op verhalen en concrete situaties. Volgens de theorie van de Amerikaanse psycholoog Mark Tappan ontwikkelen morele oordeelsvorming en moreel handelen zich mede via de taal en verhalen waarover mensen beschikken.

Het vertellen van een verhaal is daarbij zelf een morele handeling. Wie een verhaal vertelt, neemt een positie in en geeft betekenis aan gebeurtenissen. Door verhalen te bespreken en zelf verhalen te formuleren, kunnen leerlingen hun eigen morele perspectieven ontwikkelen.

Literatuur kan morele verbeelding stimuleren

Ook fictie kan volgens de auteurs een belangrijke rol spelen. Filosofe Martha Nussbaum stelt dat literatuur morele verbeelding kan stimuleren. Door verhalen te lezen over andere levens en situaties ontwikkelen lezers empathie en leren zij zich situaties voor te stellen die zij zelf nooit hebben meegemaakt. Dat kan bijdragen aan morele reflectie over duurzaamheidsvraagstukken.

Fictie kan daarnaast helpen bij het verkennen van mogelijke toekomsten. Verhalen laten niet alleen zien wat is gebeurd, maar ook wat zou kunnen gebeuren. Door denkbeeldige scenario’s te verkennen kunnen leerlingen zich voorstellen hoe verschillende maatschappelijke keuzes tot andere toekomstbeelden leiden.

De auteurs benadrukken dat narratieven niet alleen individuele ervaringen betreffen, maar ook collectieve verbeelding mogelijk maken. Utopische verhalen over toekomstige samenlevingen kunnen helpen om na te denken over alternatieve manieren van leven en samenleven.

Verhalen maken het mogelijk verschillende perspectieven te verkennen

Volgens de onderzoekers kan een narratieve benadering duurzaamheidsonderwijs ondersteunen zonder de vrijheid van denken te ondermijnen. Verhalen maken het mogelijk verschillende perspectieven te verkennen, terwijl leerlingen tegelijkertijd kennis nemen van de wetenschappelijke en maatschappelijke context van ecologische problemen.

De auteurs benadrukken dat hun voorstel geen uitgewerkte didactische methode is. Het artikel heeft vooral een theoretisch karakter en schetst een mogelijke richting voor onderwijs dat rekening houdt met zowel mensenrechten als de urgentie van ecologische vraagstukken. Verdere uitwerking van concrete pedagogische strategieën zien zij als een volgende stap voor onderzoek en onderwijspraktijk.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor leraren en scholen laat dit onderzoek zien dat duurzaamheidsonderwijs een ethische spanning kan oproepen tussen het bevorderen van bepaalde waarden en het respecteren van de vrijheid van denken van leerlingen en ouders. Het simpelweg presenteren van wetenschappelijke feiten of het strikt neutraal behandelen van alle standpunten wordt door de auteurs niet gezien als een afdoende oplossing.

Voor curriculumontwikkelaars benadrukt het artikel dat klaslokalen kunnen functioneren als pedagogische tussenruimtes waarin leerlingen verschillende perspectieven leren verkennen en bespreken. In zo’n leeromgeving staat niet het opleggen van één standpunt centraal, maar het ontwikkelen van kritisch denken, democratische vaardigheden en morele reflectie.

Voor onderwijspraktijken rond duurzaamheid wijzen de auteurs op het mogelijke belang van verhalen, fictie en toekomstscenario’s. Narratieven kunnen leerlingen helpen om morele en maatschappelijke vragen rond duurzaamheid te verkennen en verschillende mogelijke toekomsten te overdenken, terwijl tegelijkertijd ruimte blijft voor uiteenlopende overtuigingen.

Bron: Fancourt, N., Bakker, C., Franck, O., Kvamme, O. A., Lilja, A., Osbeck, C. & Sporre, K. (2026). Mediating between advocacy and freedom of thought: narrative approaches to a tension in sustainability education, Ethics and Education. DOI: https://doi.org/10.1080/17449642.2026.2641149

Ontdek meer onderwerpen