Voortgezet onderwijs

Volledig smartphoneverbod leidt niet vanzelf tot beter welzijn of minder pesten onder leerlingen

Een grootschalige Nederlandse studie onder middelbare scholieren laat zien dat strengere smartphoneverboden op school geen aantoonbare voordelen opleveren voor het welzijn van leerlingen of voor het terugdringen van pesten. Integendeel, een volledig verbod hangt samen met een lagere verbondenheid tussen leerlingen en docenten en, bij meisjes, met een zwakker gevoel van verbondenheid met de school.

Sinds januari 2024 geldt in Nederland een landelijk smartphoneverbod in het voortgezet onderwijs. De maatregel werd ingevoerd vanuit zorgen over de invloed van intensief smartphonegebruik op de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van jongeren. Schoolbesturen kregen daarbij ruimte om het beleid zelf uit te werken. Hierdoor ontstonden duidelijke verschillen tussen scholen. Sommige scholen beperkten smartphones uitsluitend tijdens de lessen, terwijl andere het gebruik op het volledige schoolterrein verboden, inclusief pauzes en tussenuren.

Juist deze variatie bood onderzoekers de mogelijkheid om verschillende typen smartphoneverboden binnen één nationaal onderwijssysteem met elkaar te vergelijken. Dat is methodologisch relevant, omdat internationale vergelijkingen vaak worden bemoeilijkt door verschillen in cultuur, onderwijsstructuur en beleidscontext.

Focus op welzijn en sociale verbondenheid

Waar veel eerder onderzoek naar smartphoneverboden vooral kijkt naar leerprestaties, richt deze studie zich expliciet op welzijn en sociale verbondenheid op school. Deze aspecten spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van jongeren, maar blijven in beleidsdiscussies vaak onderbelicht.

De studie maakt deel uit van het EPoSS-project, waarin de samenhang tussen fysieke, mentale en sociale gezondheid en schoolsucces van Nederlandse leerlingen wordt onderzocht. Tussen september 2024 en februari 2025 vulden leerlingen uit leerjaar 3 tot en met de examenklassen een digitale vragenlijst in tijdens schooltijd. Zij rapporteerden onder meer over hun smartphonegebruik, welzijn, sociale relaties op school en ervaringen met pesten. Daarnaast verstrekte per school een medewerker informatie over het geldende smartphonebeleid.

Onderzoeksopzet en steekproef

Na uitsluiting van onvolledige vragenlijsten en scholen zonder smartphoneverbod bleef een steekproef over van 1.398 leerlingen van 24 middelbare scholen. De onderzoekers gebruikten multilevel-analyses om rekening te houden met het feit dat leerlingen zijn genest binnen scholen. Daarbij werd gecontroleerd voor individuele kenmerken zoals leeftijd, geslacht, onderwijsniveau en sociaal-economische achtergrond, evenals voor kenmerken van de schoolpopulatie.

Geen effect op welzijn en pesten

De analyses laten zien dat er geen significante verschillen zijn in welzijn tussen leerlingen op scholen met een gedeeltelijk of een volledig smartphoneverbod. Dit geldt voor levenssatisfactie, gevoelens van eenzaamheid en psychosomatische klachten. Ook voor pesten en cyberpesten werden geen verschillen gevonden. Leerlingen rapporteerden vergelijkbare ervaringen, ongeacht de strengheid van het smartphonebeleid.

Deze uitkomsten wijzen erop dat strengere beperkingen op smartphonegebruik tijdens schooltijd niet automatisch leiden tot verbeteringen in het welzijn van leerlingen of tot minder pestgedrag.

Negatieve effecten op sociale verbondenheid

Op het gebied van sociale verbondenheid laten de resultaten een ander beeld zien. Leerlingen op scholen met een volledig smartphoneverbod rapporteren een lagere verbondenheid met hun docenten dan leerlingen op scholen waar smartphones alleen tijdens de lessen verboden zijn. Dit effect wordt gevonden bij zowel jongens als meisjes.

Daarnaast blijkt dat meisjes op scholen met een volledig verbod een lager gevoel van verbondenheid met de school als geheel rapporteren. Voor de verbondenheid met klasgenoten worden geen verschillen gevonden. De negatieve effecten lijken zich dus vooral te manifesteren in de relatie tussen leerlingen en schoolautoriteiten, en niet in contacten tussen leeftijdsgenoten.

Sekseverschillen in uitkomsten

Los van het type smartphoneverbod laat het onderzoek duidelijke sekseverschillen zien. Meisjes rapporteren gemiddeld vaker problematisch gebruik van sociale media, meer gevoelens van eenzaamheid en meer psychosomatische klachten. Tegelijkertijd geven zij een lagere levenssatisfactie en een lagere verbondenheid met docenten aan dan jongens. Deze patronen sluiten aan bij eerder onderzoek en onderstrepen dat meisjes en jongens verschillend reageren op digitale prikkels en schoolcontexten.

Voor schermtijd in de vrije tijd wordt een beperkt effect gevonden. Leerlingen op scholen met een volledig smartphoneverbod rapporteren minder vaak dat zij drie uur of meer per dag schermgebruik hebben. Dit verband verdwijnt echter wanneer jongens en meisjes afzonderlijk worden geanalyseerd, wat wijst op een minder stabiel effect dan op het eerste gezicht lijkt.

Strengere verboden geen garantie voor betere uitkomsten

De onderzoekers concluderen dat de veronderstelling dat strengere smartphoneverboden vanzelf leiden tot betere uitkomsten voor leerlingen niet wordt ondersteund door de data. Het beperken van smartphonegebruik tijdens schooltijd lijkt weinig invloed te hebben op welzijn of pestgedrag, terwijl volledige verboden onbedoelde negatieve effecten kunnen hebben op de relatie tussen leerlingen en docenten en, bij meisjes, op het gevoel van schoolverbondenheid.

Een mogelijke verklaring is dat problematisch smartphonegebruik, en niet de algemene beschikbaarheid van smartphones, de belangrijkste factor is achter negatieve uitkomsten. Dergelijk gebruik vindt grotendeels buiten schooltijd plaats en wordt niet direct aangepakt door schoolregels. Daarnaast wijzen de onderzoekers erop dat het toeschrijven van bredere problemen in het welzijn van jongeren aan één enkele oorzaak het risico met zich meebrengt dat andere samenhangende factoren buiten beeld blijven.

Belang van context en uitvoering

Tot slot benadrukt het onderzoek dat de manier waarop smartphonebeleid wordt ingevoerd en ervaren van belang kan zijn. Wanneer regels als streng of controlerend worden ervaren, kan dit doorwerken in de relatie tussen leerlingen en school. De bevindingen suggereren dat smartphonebeleid niet los kan worden gezien van bredere aandacht voor schoolklimaat, communicatie en ondersteuning van leerlingen.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor docenten en mentoren laat dit onderzoek zien dat leerlingen hun onderwijstraject vaak ervaren als het resultaat van eigen keuzes en inzet, ook wanneer formele keuzeruimte beperkt is. Het expliciet benoemen van hoe selectie, doorstroom en afstroom in het systeem daadwerkelijk werken kan helpen om verwachtingen te verduidelijken, zonder het gevoel van handelingsruimte bij leerlingen volledig weg te nemen.

Voor decanen en loopbaanbegeleiders maakt het onderzoek zichtbaar dat leerlingen structurele barrières, zoals beperkte mobiliteit of vroege selectie, zelden vanzelf koppelen aan hun eigen onderwijsuitkomsten. Het bespreekbaar maken van verschillende routes, inclusief de voorwaarden en kwetsbaarheden van opstroom en diplomastapeling, sluit aan bij hoe leerlingen hun mogelijkheden zelf interpreteren.

Voor schoolleiders en beleidsmakers onderstreept de studie het belang van aandacht voor leerlingpercepties bij de inrichting van keuzemomenten en begeleiding. Omdat leerlingen sterk meritocratisch denken en succes of falen primair aan zichzelf toeschrijven, kan beleid dat uitsluitend uitgaat van formele structuurkenmerken tekortschieten in de aansluiting op hun geleefde ervaring.

Voor ouders laat het onderzoek zien hoe sterk ouderlijke verwachtingen doorwerken in de manier waarop leerlingen hun keuzevrijheid en verantwoordelijkheid ervaren. Bewustzijn van deze invloed kan bijdragen aan meer ruimte voor verschillende onderwijsroutes, ook wanneer deze afwijken van de hoogste hiërarchische positie in het systeem.

DOI: 10.1177/14749041251401055

Ontdek meer onderwerpen