Voortgezet onderwijs

Scholen dragen grootste last van digitale mediaopvoeding

Scholen zijn wereldwijd de belangrijkste plek waar jongeren leren omgaan met digitale media. Tegelijkertijd is het wetenschappelijke bewijs over wat daar werkt opvallend scheef verdeeld, blijkt uit onderzoek uit Leiden en Amsterdam.

Programma’s die kinderen moet leeren omgaan met digitale media richten zich vooral op middelbare scholieren en op het beperken van risico’s zoals cyberpesten en desinformatie, terwijl jonge kinderen, ouders en kansgerichte benaderingen veel minder aandacht krijgen. Dat blijkt uit een internationale overzichtsstudie van onderzoekers van onder meer de Vrije Universiteit Amsterdam en Hogeschool Leiden.

Digitale media spelen een centrale rol in het leven van jongeren

De aanleiding voor het onderzoek ligt in de snelle digitalisering van onderwijs, communicatie en vrije tijd. Digitale media spelen een centrale rol in het leven van jongeren en bieden zowel kansen – toegang tot leermiddelen, creatieve expressie, sociale verbinding – als risico’s, waaronder cyberpesten, misinformatie, commerciële uitbuiting en problematisch gebruik. Interventies die jongeren moeten helpen om met die digitale omgeving om te gaan, bevinden zich daarmee op het snijvlak van onderwijs, jeugdzorg en publieke gezondheid.

Tot nu toe ontbrak echter een systematisch overzicht van welke interventies daadwerkelijk empirisch zijn getest, voor wie ze bedoeld zijn en in welke context ze worden uitgevoerd. De onderzoekers analyseerden daarom 120 peer-reviewed publicaties waarin samen 131 interventies werden geëvalueerd, uitgevoerd in 38 landen in de periode 2006–2024.

Onderwijs als uitvoeringsmachine

Het onderwijs blijkt veruit de belangrijkste uitvoeringscontext. Ongeveer driekwart van alle interventies vond plaats in scholen. Daarmee zijn klaslokalen wereldwijd de primaire experimenteerruimte geworden voor digitale mediaweerbaarheid en digitale geletterdheid.

Leraren spelen daarin een centrale rol. In bijna de helft van de interventies waren zij verantwoordelijk voor de uitvoering. Toch is professionalisering niet vanzelfsprekend vastgelegd. Slechts in een minderheid van de gevallen werd expliciet gerapporteerd dat leraren vooraf training hadden gekregen. In het merendeel van de studies werd hierover niets vermeld. Voor ouders, die in een klein deel van de interventies uitvoerder waren, ontbrak in vrijwel alle gevallen informatie over voorbereiding of ondersteuning.

Die scheve verhouding is opvallend, omdat digitale media zich niet beperken tot de schooldag. Hoewel ouders volgens de literatuur dilemma’s en onvervulde behoeften ervaren rond het mediagebruik van hun kinderen, zijn thuisgebaseerde interventies schaars.

Vooral adolescenten in beeld

Ook qua leeftijd is het bewijs ongelijk verdeeld. Het merendeel van de interventies richt zich op adolescenten. Jongere kinderen in de onderbouw van het primair onderwijs en in de voorschoolse fase komen veel minder vaak voor in geëvalueerde programma’s.

Volgens de onderzoekers is dat relevant, omdat vaardigheden en gewoonten rond schermgebruik al vroeg worden gevormd. Interventies die pas in de adolescentie starten, grijpen in op een fase waarin mediagebruik al intensief is en autonomie toeneemt. Wat vroegtijdige, preventieve interventies in de basisschool precies opleveren, is op basis van de huidige literatuur moeilijk te zeggen.

Curriculum: nadruk op geletterdheid en risicobeperking

Inhoudelijk domineren programma’s rond digitale en mediageletterdheid. Meer dan de helft van de interventies had een vorm van geletterdheid als primair doel. Mediageletterdheid en programma’s tegen cyberpesten behoren tot de meest onderzochte categorieën.

Wanneer de interventies worden ingedeeld volgens het onderscheid tussen risico’s en kansen, blijkt dat programma’s vaker uitsluitend inzetten op het verminderen van risico’s dan uitsluitend op het versterken van kansen. Waardengerelateerde risico’s zoals misinformatie en agressiegerelateerde risico’s zoals cyberpesten staan centraal.

Kansen, zoals creativiteit, identiteitsontwikkeling of maatschappelijke participatie, komen minder prominent naar voren. Volgens de auteurs roept dit de vraag op in hoeverre interventies die vooral op risico’s zijn gericht ook gevolgen hebben voor de manier waarop jongeren digitale kansen benutten – en omgekeerd. Omdat kansgerichte uitkomsten minder vaak worden gemeten, blijft dat grotendeels onduidelijk.

Effecten, maar met kanttekeningen

Ongeveer twee derde van de interventies rapporteerde een statistisch significante verbetering op ten minste één beoogde uitkomst. De auteurs benadrukken echter dat dit een beschrijvende constatering is en geen meta-analytische schatting van effectgrootte of kwaliteit.

Veel interventies werden slechts één keer getest, vaak met studie-specifieke meetinstrumenten. Het merendeel van de onderzoeken maakte gebruik van quasi-experimentele ontwerpen, terwijl gerandomiseerde experimenten minder vaak voorkwamen. Ook rapportage over bijvoorbeeld uitval, blindering of andere kwaliteitsindicatoren was niet altijd volledig.

Voor scholen betekent dit dat er wel aanwijzingen zijn dat interventies effect kunnen hebben, maar dat de onderliggende bewijsbasis heterogeen is en niet altijd stevig vergelijkbaar.

Wie blijft buiten beeld?

Bepaalde groepen leerlingen komen nauwelijks voor in het onderzochte interventielandschap. Slechts een klein deel van de interventies richtte zich expliciet op jongeren met speciale onderwijsbehoeften. Informatie over etniciteit of raciale achtergrond werd zelden gerapporteerd. Geen van de interventies was specifiek ontwikkeld voor bepaalde minderheidsgroepen.

Volgens de onderzoekers beperkt dit de mogelijkheid om te beoordelen in hoeverre interventies in het onderwijs voor verschillende groepen leerlingen even effectief zijn. Vanuit het perspectief van gelijke kansen en inclusie is dat een relevante lacune.

Drie lijnen voor de toekomst

Op basis van hun overzicht formuleren de auteurs drie duidelijke richtingen. Ten eerste is meer transparante en systematische evaluatie nodig, met betere rapportage over implementatie, training en onderzoeksopzet. Ten tweede verdient de vroege schoolloopbaan meer aandacht, omdat interventies in de kindertijd mogelijk een duurzame basis leggen voor latere digitale weerbaarheid. Ten derde zouden interventies niet alleen risico’s moeten beperken, maar ook expliciet de kansen van digitale media binnen onderwijscontexten moeten meten en versterken.

De studie maakt daarmee duidelijk dat het onderwijs de grootste uitvoerder is van digitale media-interventies, maar dat de kennisbasis waarop scholen zich kunnen beroepen nog ongelijk en fragmentarisch is.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen en schoolbesturen laat dit overzicht zien dat zij de belangrijkste uitvoerders zijn van digitale media-interventies, terwijl training en implementatie vaak beperkt zijn gedocumenteerd. Wie digitale geletterdheid structureel wil verankeren, zal dus ook expliciet moeten investeren in scholing, ondersteuning en zorgvuldige evaluatie.

Voor het primair onderwijs maakt de studie duidelijk dat er relatief weinig geëvalueerde interventies bestaan voor jonge kinderen. Vroege inzet op digitale vaardigheden en gezond mediagebruik kan daarom nog niet steunen op een brede, systematisch getoetste evidencebase.

Voor beleidsmakers onderstreept het onderzoek dat de huidige nadruk vooral ligt op risicobeperking. Beleidskeuzes rond curriculum en programma’s kunnen expliciet afwegen hoe ook digitale kansen, zoals creativiteit en participatie, een volwaardige plaats krijgen binnen het onderwijs.

Bron: Chaplinska, I., Nikken, P., Brons, H., Smixioti, E., Jertberg, R. M., Koning, I., Mary, S. M., Edelaar-Peeters, Y. & Schuengel, C. (2026). Scoping review of research on evidence-based digital media interventions for youth, preprint. Beschikbaar via: https://osf.io/2hgrk/