Primair onderwijs

Pesten als onderschatte bron van trauma

Meer dan de helft van de Nederlandse kinderen en jongeren die worden aangemeld bij de geestelijke gezondheidszorg heeft pestervaringen. Die ervaringen hangen in sterke mate samen met posttraumatische stresssymptomen, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met andere ingrijpende gebeurtenissen zoals huiselijk geweld of seksueel misbruik.

Pesten onder kinderen en jongeren wordt al langer gezien als een ernstig probleem, maar de psychische impact ervan wordt vaak niet in één adem genoemd met andere traumatische ervaringen. Nieuw internationaal klinisch onderzoek laat zien dat dit onderscheid niet houdbaar is. In een analyse van gegevens van meer dan vijfduizend kinderen en adolescenten uit Noorwegen, Nederland en Duitsland blijkt pesten een sterke voorspeller van posttraumatische stresssymptomen. Die samenhang blijft bestaan, ook wanneer rekening wordt gehouden met andere traumatische gebeurtenissen zoals fysiek geweld, seksueel misbruik of ernstige ongevallen.

Het onderzoek richt zich op jongeren die zijn aangemeld bij de geestelijke gezondheidszorg. Juist in deze klinische populatie komt pesten opvallend vaak voor en blijkt het nauw samen te hangen met symptomen als herbelevingen, vermijding, verhoogde waakzaamheid en emotionele ontregeling. Daarmee positioneren de onderzoekers pesten nadrukkelijk als een potentieel traumatische ervaring.

Internationale studie met Nederlandse gegevens

Voor het onderzoek maakten de auteurs gebruik van drie grote klinische datasets. De grootste steekproef kwam uit Noorwegen en bestond uit 3.370 kinderen en jongeren met een gemiddelde leeftijd van 14 jaar. De Nederlandse steekproef omvatte 952 deelnemers met een gemiddelde leeftijd van 15,6 jaar. Daarnaast werden gegevens geanalyseerd van 707 Duitse kinderen en adolescenten met een gemiddelde leeftijd van 13,3 jaar. Alle deelnemers waren tussen 2015 en 2023 aangemeld bij gespecialiseerde jeugd-ggz-instellingen.

In Nederland werd pesten gemeten met een algemene vraag waarin jongeren aangaven of zij gepest waren. In Noorwegen en Duitsland bevatte de vraagstelling expliciete verwijzingen naar bedreiging, angst of ernstige vormen van pesten. Deze verschillen in formulering speelden later een belangrijke rol bij de interpretatie van de resultaten.

Meting van trauma en stresssymptomen

In alle drie de landen werd gebruikgemaakt van de Child and Adolescent Trauma Screen. Dit instrument meet zowel blootstelling aan potentieel traumatische gebeurtenissen als de aanwezigheid van posttraumatische stresssymptomen volgens de DSM-5-criteria. Naast pesten werden ook andere traumatische ervaringen geïnventariseerd, zoals seksueel misbruik, huiselijk geweld, fysiek geweld, ernstige ziekte, ongevallen en natuurrampen.

De onderzoekers analyseerden de gegevens met regressiemodellen waarin werd gecontroleerd voor leeftijd, geslacht en andere traumatische gebeurtenissen. Daarnaast berekenden zij per type trauma hoeveel unieke variantie werd verklaard in de ernst van de stresssymptomen. Op die manier konden zij vaststellen of pesten een zelfstandige bijdrage leverde, los van andere belastende ervaringen.

Hoge prevalentie in alle drie landen

Uit de analyses blijkt dat pesten zeer vaak voorkomt in de klinische populaties. In Noorwegen rapporteerde 56,2 procent van de jongeren dat zij pestervaringen hadden gehad. In Nederland lag dit percentage op 53,2 procent en in Duitsland op 52,6 procent. Deze cijfers liggen beduidend hoger dan in niet-klinische populaties, waar eerdere studies uitgaan van ongeveer een derde van de jongeren.

In de Duitse steekproef werd cyberpesten afzonderlijk gemeten. Daar gaf 17 procent van de deelnemers aan slachtoffer te zijn geweest van online pesten. Ook deze vorm bleek sterk samen te hangen met posttraumatische stresssymptomen.

Sterke samenhang met stresssymptomen

De relatie tussen pesten en posttraumatische stresssymptomen bleek in alle drie landen statistisch significant. De correlaties varieerden van matig tot sterk. Bij traditioneel pesten lagen deze tussen 0,17 en 0,37, terwijl cyberpesten een correlatie van 0,36 liet zien. Van de jongeren die aangaven gepest te zijn, vertoonde tussen de 57 en 73 procent klinisch verhoogde stresssymptomen. Bij cyberpesten liep dit percentage op tot ruim 78 procent.

Deze cijfers laten zien dat pesten in de klinische populatie niet alleen samenhangt met stress, maar vaak gepaard gaat met klachten die voldoen aan klinische drempelwaarden voor posttraumatische stress.

Verschillen tussen landen en meetmethoden

Hoewel de samenhang in alle drie landen aanwezig was, verschilde de sterkte ervan. In Noorwegen en Duitsland was het verband tussen pesten en stresssymptomen duidelijk sterker dan in Nederland. De onderzoekers verklaren dit verschil niet door culturele factoren, maar door de manier waarop pesten werd bevraagd.

In Noorwegen en Duitsland verwees de vraag expliciet naar bedreiging, angst en ernst. In Nederland werd pesten algemener bevraagd, zonder deze context. De resultaten suggereren dat vooral pestervaringen die als bedreigend of angstaanjagend worden ervaren sterk samenhangen met traumaklachten. Daarmee werpt het onderzoek ook een kritisch licht op hoe pesten in vragenlijsten en screeningsinstrumenten wordt geoperationaliseerd.

Zelfstandige bijdrage naast andere trauma’s

Een centrale bevinding is dat pesten een significante voorspeller blijft van posttraumatische stresssymptomen, ook wanneer andere traumatische ervaringen worden meegenomen in de analyses. Afhankelijk van het land verklaarde pesten tussen de 3,8 en 22,9 procent van de variantie in stresssymptomen.

In alle drie de steekproeven bleken pesten en andere interpersoonlijke trauma’s, zoals seksueel misbruik en huiselijk geweld, samen verantwoordelijk voor het grootste deel van de verklaarde variantie. Niet-interpersoonlijke gebeurtenissen, zoals ongevallen of natuurrampen, droegen aanzienlijk minder bij. Dit onderstreept het belang van sociale veiligheid en relationele ervaringen voor de psychische gezondheid van kinderen en jongeren.

Implicaties voor screening en zorg

Op basis van deze bevindingen concluderen de onderzoekers dat pesten moet worden erkend als een potentieel traumatische ervaring. Zij pleiten ervoor om pesten standaard op te nemen in traumascreening binnen de jeugd-ggz, naast andere bekende traumatische gebeurtenissen. Daarbij benadrukken zij dat zowel traditioneel pesten als cyberpesten aandacht verdient.

Voor de Nederlandse context is vooral relevant dat de formulering van vragen over pesten invloed heeft op wat zichtbaar wordt in diagnostiek en onderzoek. Wanneer pesten alleen algemeen wordt uitgevraagd, bestaat het risico dat de ernst en bedreigende aard van bepaalde ervaringen onvoldoende wordt meegenomen. Het onderzoek laat zien dat juist die aspecten sterk samenhangen met posttraumatische stresssymptomen.

Pesten als blijvende bedreiging

De auteurs wijzen erop dat pesten zich vaak afspeelt in contexten waar kinderen en jongeren moeilijk aan kunnen ontsnappen, zoals school en sociale media. Door leerplicht en digitale bereikbaarheid kunnen slachtoffers zich langdurig blootgesteld voelen aan sociale dreiging. Dat maakt pesten fundamenteel anders dan veel eenmalige traumatische gebeurtenissen.

Volgens de onderzoekers vraagt dit om nauwere samenwerking tussen onderwijs en geestelijke gezondheidszorg. Behandeling van stresssymptomen alleen is onvoldoende wanneer de sociale context onveilig blijft. Het herkennen van pestervaringen als mogelijke bron van trauma is daarbij een noodzakelijke eerste stap.

Ontdek meer onderwerpen