Dat blijkt uit een analyse van 46 internationale studies, waarin zowel persoonlijke kenmerken als de kwaliteit van relaties met ouders, leeftijdgenoten en leraren een belangrijke rol spelen. Ook kenmerken van de school, zoals de sociaaleconomische samenstelling en de manier waarop leerlingen naar niveau worden ingedeeld, hangen samen met verschillen in welbevinden.
De overstap van de basisschool naar het voortgezet onderwijs geldt als een ingrijpende fase in het leven van jongeren. Leerlingen verlaten een vertrouwde, vaak kleinschalige omgeving en komen terecht in grotere scholen met meer vakken, verschillende docenten en nieuwe sociale verhoudingen. Deze veranderingen kunnen gepaard gaan met lagere schoolprestaties, minder motivatie en in sommige gevallen zelfs uitval.
Bestaande studies werden systematisch verzameld en geanalyseerd
Om beter te begrijpen welke factoren hierbij een rol spelen, voerden onderzoekers van de Hanzehogeschool en de Rijksuniversiteit Groningen een zogenoemde scoping review uit. Daarbij werden bestaande studies systematisch verzameld en geanalyseerd. In totaal werden vijf grote databanken doorzocht, wat ruim 2.400 publicaties opleverde. Na selectie bleven 46 studies over. De resultaten zijn geordend in vijf domeinen: de leerling zelf, ouders, leeftijdgenoten, leraren en de school, en uitgesplitst naar drie fasen: vóór de overgang, tijdens de overgang en de periode daarna.
Uit de analyse blijkt dat persoonlijke eigenschappen een consistente rol spelen. Vaardigheden als zelfregulatie en karaktereigenschappen zoals vriendelijkheid en dankbaarheid hangen samen met een hoger welbevinden, zowel vóór als tijdens en na de overgang. Tegelijkertijd blijken negatieve denkpatronen en problemen met executieve functies samen te gaan met een lager welbevinden. Leerlingen die vooraf positieve verwachtingen hebben over hun nieuwe school en sociale contacten, rapporteren later vaker een hoger welbevinden. Verlegen of teruggetrokken leerlingen lopen juist een groter risico op sociale isolatie.
Steun vanuit het gezin is goed voor het humeur
Ook de thuissituatie blijkt van groot belang. Steun vanuit het gezin hangt in alle fasen samen met een positiever dagelijks humeur en blijkt zelfs een sterkere voorspeller dan steun van leeftijdgenoten. De invloed van vrienden neemt wel toe naarmate de overgang vordert.
Tegelijkertijd laten conflicten met vrienden juist negatieve effecten zien op zowel sociaal-emotioneel als schoolfunctioneren. Opvallend is dat leerlingen die tijdens de overgang een stabiele beste vriend behouden, beter presteren en zich beter voelen, ondanks dat vriendschappen in deze periode vaak minder stabiel zijn. Daarnaast blijkt dat sterke psychologische controle van ouders, met name van moeders, samenhangt met lagere motivatie en minder tevredenheid met school.
Tijdens en na de overgang neemt het aantal conflicten met leraren doorgaans af
De relatie met leraren speelt eveneens een belangrijke rol. Positieve relaties tussen leerling en leraar hangen in alle fasen samen met een hoger welbevinden. Tijdens en na de overgang neemt het aantal conflicten met leraren doorgaans af ten opzichte van de basisschool. Programma’s waarbij leerlingen extra begeleiding krijgen van een mentor laten verbeteringen zien in hun mentale gezondheid. Leraren dragen bovendien bij aan het welbevinden door een positief schoolklimaat te creëren en samen te werken met ouders en de bredere omgeving.
Op schoolniveau laten de resultaten zien dat structurele kenmerken ertoe doen. Leerlingen op scholen met een lagere sociaaleconomische samenstelling rapporteren gemiddeld een lager mentaal welbevinden, ongeacht hun eigen achtergrond. Daarnaast ervaren leerlingen op scholen met een hoog gemiddeld prestatieniveau vaker een daling in levenstevredenheid.
Een sterk gevoel van verbondenheid met de school, bijvoorbeeld door acceptatie, vriendschappen en actieve deelname, hangt juist samen met een beter welbevinden en een betere mentale gezondheid. Leerlingen met speciale onderwijsbehoeften hebben baat bij een zorgvuldige en tijdige voorbereiding op de overgang, waarbij ouders en leraren nauw betrokken zijn.
Een samenspel van persoonlijke kenmerken, sociale relaties en schoolcontext
De onderzoekers benadrukken dat het welbevinden van leerlingen tijdens deze overgang niet door één factor wordt bepaald, maar het resultaat is van een samenspel van persoonlijke kenmerken, sociale relaties en schoolcontext.
Zij wijzen er bovendien op dat vervolgonderzoek gebaat is bij langlopende studies die leerlingen volgen van de laatste fase van de basisschool tot in het eerste jaar van het voortgezet onderwijs, en bij meer aandacht voor uiteenlopende onderwijscontexten.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor basisscholen en middelbare scholen laat deze overzichtsstudie zien dat de overgang naar het voortgezet onderwijs niet alleen draait om praktische voorbereiding, maar ook om welbevinden. Leerlingen lijken meer baat te hebben bij een overgang waarin sociale veiligheid, verbondenheid en steun centraal staan dan bij een aanpak die vooral gericht is op organisatie en prestaties.
Voor leraren en mentoren maken de bevindingen duidelijk dat positieve relaties met leerlingen van groot belang zijn, zowel vóór als tijdens en na de overstap. Ook stabiele vriendschappen en een gevoel van erbij horen hangen samen met beter welbevinden. Extra aandacht voor verlegen of teruggetrokken leerlingen en voor leerlingen met speciale onderwijsbehoeften lijkt daarom relevant.
Voor schoolleiders en beleidsmakers onderstrepen de resultaten dat ook structurele kenmerken van scholen samenhangen met verschillen in welbevinden. De sociaaleconomische samenstelling van de school en de manier waarop leerlingen naar niveau worden ingedeeld, zijn volgens deze studie dus niet alleen organisatorische kenmerken, maar ook factoren die samenhangen met hoe leerlingen de overgang ervaren.
Bron: van der Zwet, S., Bochane, M. I., Steenbeek, H. W., Minnaert, A. E. M. G. & Luinge, M. R. (2026). A scoping review of the well-being of students across the primary-secondary school transition, Discover Psychology. DOI: https://doi.org/10.1007/s44202-026-00674-y