Primair onderwijs

Nederlandse basisschoolleerkrachten positief over grammaticaonderwijs, maar vinden dat ‘basis ook echt basis moet blijven’

Nederlandse basisschoolleerkrachten staan overwegend positief tegenover grammaticaonderwijs en beschouwen het als waardevol voor taalbegrip en schrijfvaardigheid. Tegelijkertijd maken zij zich zorgen over de complexiteit van sommige grammaticale concepten en benadrukken zij dat het basisonderwijs zich moet beperken tot de fundamenten van de zinsgrammatica.

Aanleiding voor het onderzoek was het gebrek aan internationaal inzicht in hoe leerkrachten in het primair onderwijs tegen grammaticaonderwijs aankijken, met name buiten Engelstalige contexten. Dat inzicht is relevant omdat leerkrachten een sleutelrol spelen bij curriculumveranderingen en hun overtuigingen direct doorwerken in de klaspraktijk. Bovendien staat Nederland aan de vooravond van een curriculumherziening waarin grammaticale kennis een prominentere plaats krijgt.

Eerder onderzoek naar opvattingen over grammaticaonderwijs richtte zich vooral op het voortgezet onderwijs en op Engelstalige landen. De Nederlandse situatie wijkt daarvan af, omdat grammatica altijd deel heeft uitgemaakt van het curriculum. In landen als het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is grammatica daarentegen periodiek uit het onderwijs verdwenen. Door de Nederlandse context te bestuderen, kunnen onderzoekers beter onderscheiden welke opvattingen breed gedeeld zijn en welke samenhangen met specifieke onderwijscontexten.

Onderzoeksmethode

Onderzoekers van de Radboud Universiteit en de Universiteit Utrecht voerden tussen januari en juni 2022 een online enquête uit onder Nederlandse basisschoolleerkrachten. De vragenlijst bestond uit gesloten vragen met vijfpuntsschalen en open vragen en was opgebouwd rond vijf hoofdthema’s.

Het eerste deel ging in op achtergrondkenmerken zoals opleiding en onderwijservaring. Vervolgens werden algemene overtuigingen over grammaticaonderwijs bevraagd aan de hand van acht mogelijke redenen om grammatica te onderwijzen, waaronder kennisgerichte en vaardigheidgerichte argumenten. In het derde deel werd gevraagd welke grammaticale concepten volgens leerkrachten thuishoren in het curriculum, gebaseerd op het bestaande Nederlandse referentiekader.

De enquête werd verspreid via professionele netwerken en online gemeenschappen van basisschoolleerkrachten, aangevuld met directe benaderingen van schoolbesturen. De onderzoekers benadrukten expliciet dat ook reacties van leerkrachten die grammaticaonderwijs minder belangrijk vinden welkom waren, om een zo breed mogelijk beeld te krijgen.

Onderzoeksbevindingen

In totaal vulden 149 leerkrachten de enquête volledig in, wat neerkomt op ongeveer 0,1 procent van de Nederlandse basisschoolleerkrachten. De steekproef was representatief wat betreft leeftijd en geslacht. Drieëntachtig procent van de deelnemers was vrouw en de gemiddelde leeftijd lag rond de 42 jaar. Vrijwel alle deelnemers hadden een pabo-opleiding afgerond en beschikten over ruime onderwijservaring.

De leerkrachten bleken opvallend positief over grammatica. Hoewel zij grammaticaonderwijs als uitdagend ervaren, geven zij aan het vak plezierig en begrijpelijk te vinden. Zij voelen zich zeker over hun eigen didactische vaardigheden, vinden het gemakkelijk om grammaticale onderwerpen uit te leggen en achten zichzelf competent in het geven van grammaticalessen.

Die zelfverzekerdheid staat in contrast met hun ervaringen tijdens de lerarenopleiding. Grammaticaonderwijs bleek daar voor veel deelnemers slechts een beperkte rol te hebben gespeeld en zij geven aan zich destijds slechts matig voorbereid te voelen. Dit roept vragen op over de relatie tussen formele opleiding en het vertrouwen dat leerkrachten later ontwikkelen in hun eigen grammaticale kennis.

Wat betreft de redenen om grammatica te onderwijzen, onderschrijven leerkrachten vrijwel alle voorgelegde argumenten. Zij zien grammatica als waardevol voor inzicht in taalstructuren en als ondersteunend voor schrijfvaardigheid, het verminderen van fouten en het leren van andere talen. De relatie tussen grammatica en leesvaardigheid wordt minder sterk ervaren, mogelijk omdat grammatica in de onderwijspraktijk vaker met schrijven dan met lezen wordt verbonden.

Zorgen over complexiteit

Wanneer leerkrachten gevraagd wordt naar specifieke grammaticale concepten, ontstaat een genuanceerder beeld. Alle negen onderzochte woordsoorten worden in principe belangrijk gevonden, waarbij kernbegrippen zoals werkwoord, zelfstandig naamwoord en bijvoeglijk naamwoord het hoogst scoren. Voor meer perifere categorieën, zoals voornaamwoorden, voegwoorden en telwoorden, is het enthousiasme iets minder groot.

Bij zinsbouw zijn leerkrachten duidelijk selectiever. Begrippen als persoonsvorm en onderwerp worden hoog gewaardeerd, mede vanwege hun rol in spellingonderwijs. Meer strikt grammaticale termen, zoals lijdend voorwerp en werkwoordelijk gezegde, krijgen lagere scores, ondanks hun opname in het referentiekader.

Dat ‘basis ook echt basis moet blijven’

Die terughoudendheid hangt samen met een veelgehoorde overtuiging onder leerkrachten dat ‘basis ook echt basis moet blijven’. Zij geven aan dat sommige grammaticale begrippen te abstract zijn voor jonge leerlingen of alleen geschikt zouden zijn voor een beperkte groep sterke leerlingen. Daarbij benadrukken zij het onderscheid tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs en stellen zij dat de basisschool zich moet richten op fundamentele kennis.

Ook de terminologie speelt hierbij een rol. Sommige leerkrachten merken op dat termen als voegwoord voor leerlingen moeilijk te bevatten zijn en tot verwarring kunnen leiden. Andere deelnemers pleiten er juist voor om de terminologie te vereenvoudigen, in plaats van grammaticale concepten volledig uit het onderwijs te schrappen.

Het onderzoek laat zien dat Nederlandse basisschoolleerkrachten in het algemeen positief staan tegenover grammaticaonderwijs, wat een gunstige uitgangspositie vormt voor de geplande curriculumvernieuwing. Die houding sluit aan bij bevindingen uit het voortgezet onderwijs, wat de aansluiting tussen beide onderwijsniveaus kan versterken.

Dat roept vragen op over de afbakening van het curriculum

Tegelijkertijd brengen leerkrachten duidelijke grenzen aan. Zij uiten zorgen over de geschiktheid van complexere grammaticale concepten voor jonge leerlingen en benadrukken het belang van een focus op fundamentele zinsgrammatica. Dat roept vragen op over de afbakening van het curriculum en over de ontwikkeling van grammaticaal begrip bij kinderen, een onderwerp waarover recent onderzoek schaars is.

Een terugkerend knelpunt is de vakinhoudelijke voorbereiding van leerkrachten. Hoewel zij veel vertrouwen uitstralen, wijzen hun opleidingsachtergrond en eerdere studies onder lerarenopleidingsstudenten op mogelijke lacunes in grammaticale kennis. Zonder gerichte ondersteuning bestaat het risico dat leerkrachten terugvallen op traditionele werkvormen, zoals eerder is waargenomen in andere landen waar vernieuwende grammatica-aanpakken werden ingevoerd.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor docenten en mentoren laat dit onderzoek zien dat leerlingen hun onderwijstraject vaak ervaren als het resultaat van eigen keuzes en inzet, ook wanneer formele keuzeruimte beperkt is. Het expliciet benoemen van hoe selectie, doorstroom en afstroom in het systeem daadwerkelijk werken kan helpen om verwachtingen te verduidelijken, zonder het gevoel van handelingsruimte bij leerlingen volledig weg te nemen.

Voor decanen en loopbaanbegeleiders maakt het onderzoek zichtbaar dat leerlingen structurele barrières, zoals beperkte mobiliteit of vroege selectie, zelden vanzelf koppelen aan hun eigen onderwijsuitkomsten. Het bespreekbaar maken van verschillende routes, inclusief de voorwaarden en kwetsbaarheden van opstroom en diplomastapeling, sluit aan bij hoe leerlingen hun mogelijkheden zelf interpreteren.

Voor schoolleiders en beleidsmakers onderstreept de studie het belang van aandacht voor leerlingpercepties bij de inrichting van keuzemomenten en begeleiding. Omdat leerlingen sterk meritocratisch denken en succes of falen primair aan zichzelf toeschrijven, kan beleid dat uitsluitend uitgaat van formele structuurkenmerken tekortschieten in de aansluiting op hun geleefde ervaring.

Voor ouders laat het onderzoek zien hoe sterk ouderlijke verwachtingen doorwerken in de manier waarop leerlingen hun keuzevrijheid en verantwoordelijkheid ervaren. Bewustzijn van deze invloed kan bijdragen aan meer ruimte voor verschillende onderwijsroutes, ook wanneer deze afwijken van de hoogste hiërarchische positie in het systeem.

DOI: 10.1177/14749041251401055

Ontdek meer onderwerpen