Basisscholen in Amsterdam kiezen binnen het Programma Schoolmaaltijden voor verschillende vormen van maaltijdondersteuning. Kinderen blijken hierdoor beter geconcentreerd in de klas en tonen meer betrokkenheid bij het onderwijs. Ook ervaren ouders volgens scholen minder stress wanneer de maaltijdvoorziening door de school wordt georganiseerd. Andere vormen van ondersteuning, zoals boodschappenpakketten of betaalkaarten, leveren volgens betrokkenen minder zichtbare effecten op in de dagelijkse schoolpraktijk.
Achtergrond van het onderzoek
Onderzoekers van Amsterdam UMC onderzochten samen met partners hoe Nederlandse basisscholen omgaan met het in 2023 ingevoerde Programma Schoolmaaltijden. Dit landelijke programma stelt subsidie beschikbaar voor scholen waar minstens dertig procent van de leerlingen afkomstig is uit gezinnen met een laag inkomen. Daarmee markeert het programma een beleidswijziging in Nederland, waar basisscholen traditioneel geen maaltijden aanbieden en kinderen doorgaans een lunch van huis meenemen.
Aanleiding voor het programma waren signalen van scholen dat leerlingen met honger op school verschenen. Internationale studies laten zien dat schoolmaaltijdprogramma’s kunnen bijdragen aan een betere voedingsinname en aan het verkleinen van sociaaleconomische verschillen in voeding. Voor Nederland betekende de invoering echter een nieuwe en complexe opgave, omdat ervaring en infrastructuur grotendeels ontbraken.
Onderzoeksmethode
Tussen september 2023 en mei 2024 voerden de onderzoekers 25 semigestructureerde interviews met schoolprofessionals van subsidiabele basisscholen in Amsterdam. In januari 2025 volgden drie focusgroepen met vertegenwoordigers van zes aanvullende scholen, bedoeld om de bevindingen uit de interviews te verdiepen en te valideren.
De gesprekken werden gevoerd aan de hand van het Measurement Instrument for Determinants of Innovations en het Action Scales Model. Deze kaders maakten het mogelijk om zowel praktische randvoorwaarden, zoals personeelscapaciteit en faciliteiten, als onderliggende overtuigingen en waarden in kaart te brengen. In totaal namen 31 vertegenwoordigers van 25 scholen deel aan de interviews, variërend van schoolleiders tot ondersteunend personeel. De focusgroepen omvatten zeven deelnemers van zes andere scholen.
De analyse vond plaats via thematische codering met een inductieve benadering. Twee onderzoekers codeerden onafhankelijk van elkaar en bereikten via overleg volledige consensus over de uiteindelijke thema’s.
Verschillende vormen van maaltijdondersteuning
Binnen de deelnemende scholen werden vier hoofdtypen maaltijdondersteuning onderscheiden. Vijftien scholen boden maaltijden op school aan, bereid door ouders of vrijwilligers, geleverd door externe partijen, of via een combinatie daarvan. Het ging meestal om broodmaaltijden met fruit, waarbij kinderen konden kiezen uit vooraf samengestelde opties.
Vijf scholen kozen voor het verstrekken van boodschappenpakketten aan gezinnen, doorgaans wekelijks of tweewekelijks. Deze pakketten bevatten gezonde producten en werden vaak met hulp van vrijwilligers samengesteld en uitgedeeld. Zes scholen maakten gebruik van een betaalkaart die ouders elke twee weken konden besteden aan voedsel bij supermarkten, markten of schoolkantines. Twee scholen hanteerden alternatieve vormen, zoals kooklessen of extra fruit, terwijl drie scholen de subsidie nog niet hadden ingezet.
Overwegingen bij de keuze voor ondersteuning
Schoolprofessionals gaven aan te zijn gestart met maaltijdondersteuning nadat zij signalen van armoede of verborgen armoede onder gezinnen hadden opgemerkt. Zij zagen kinderen met lege of onvoldoende gevulde lunchtrommels, ongezond eten of verzoeken om voedsel aan het begin van de schooldag. Deze waarnemingen vormden een belangrijke motivatie om gebruik te maken van de regeling.
Bij de keuze voor een specifieke vorm van ondersteuning speelden meerdere factoren een rol. Zichtbare overwegingen betroffen onder meer de beschikbare personeelscapaciteit, de mate van ouderlijke betrokkenheid, praktische faciliteiten binnen het schoolgebouw en onzekerheid over de continuïteit van de subsidie. Daarnaast woog het risico op stigmatisering zwaar mee. Scholen probeerden ondersteuning zo vorm te geven dat kinderen niet herkenbaar als ‘doelgroep’ werden aangemerkt.
Naast deze praktische aspecten waren onderliggende overtuigingen van groot belang. Schoolprofessionals verschilden van mening over de vraag in hoeverre scholen verantwoordelijk zijn voor het voeden van kinderen. Sommige scholen zagen maaltijdondersteuning als een morele en feitelijke noodzaak om onderwijs mogelijk te maken, terwijl andere scholen de primaire verantwoordelijkheid bij ouders bleven leggen en daarom kozen voor vormen waarbij gezinnen zelf de regie hielden.
Waargenomen effecten
De ervaren effecten van maaltijdondersteuning verschilden per ondersteuningsvorm. Bij scholen die dagelijks maaltijden op school aanboden, rapporteerden professionals duidelijke verbeteringen in het welzijn van leerlingen. Zij zagen dat kinderen gezonder aten, minder vermoeid waren en zich beter konden concentreren tijdens de lessen. Deze scholen beschouwden de maaltijden bovendien als een manier om sociaaleconomische verschillen in voedingsinname te verkleinen, doordat alle kinderen toegang kregen tot vergelijkbaar voedsel.
Bij boodschappenpakketten en betaalkaarten was het voor scholen minder zichtbaar of de ondersteuning daadwerkelijk bijdroeg aan de gezondheid en het welzijn van kinderen. Met name bij betaalkaarten gaven professionals aan geen zicht te hebben op de besteding van het geld.
Naast effecten op leerlingen benoemden scholen ook bredere gevolgen. Wanneer ouders betrokken waren bij de organisatie van maaltijden op school, leidde dit tot meer ouderlijke betrokkenheid en sterkere relaties tussen school en gemeenschap. Ouders ervoeren volgens scholen minder stress in de ochtend, en schoolmedewerkers werden toegankelijker voor aanvullende vragen of ondersteuning.
Conclusies
Het onderzoek laat zien dat de manier waarop scholen maaltijdondersteuning vormgeven niet uitsluitend wordt bepaald door praktische randvoorwaarden, maar ook door diepere waarden en overtuigingen van schoolprofessionals. De ruimte die het Nederlandse programma biedt om ondersteuning af te stemmen op de lokale context stimuleerde deelname, zeker in een land zonder traditie van schoolmaaltijden.
Tegelijkertijd maken de uiteenlopende vormen van ondersteuning het lastig om effecten direct te vergelijken. De onderzoekers wijzen erop dat flexibiliteit in een beginfase deelname en eigenaarschap kan bevorderen, mits de uitkomsten systematisch worden gevolgd om te bepalen welke modellen op langere termijn het meest effectief zijn. Daarmee biedt het onderzoek aanknopingspunten voor verdere ontwikkeling van schoolmaaltijdbeleid, zowel in Nederland als in landen met vergelijkbare uitgangsposities.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor docenten en mentoren laat dit onderzoek zien dat leerlingen hun onderwijstraject vaak ervaren als het resultaat van eigen keuzes en inzet, ook wanneer formele keuzeruimte beperkt is. Het expliciet benoemen van hoe selectie, doorstroom en afstroom in het systeem daadwerkelijk werken kan helpen om verwachtingen te verduidelijken, zonder het gevoel van handelingsruimte bij leerlingen volledig weg te nemen.
Voor decanen en loopbaanbegeleiders maakt het onderzoek zichtbaar dat leerlingen structurele barrières, zoals beperkte mobiliteit of vroege selectie, zelden vanzelf koppelen aan hun eigen onderwijsuitkomsten. Het bespreekbaar maken van verschillende routes, inclusief de voorwaarden en kwetsbaarheden van opstroom en diplomastapeling, sluit aan bij hoe leerlingen hun mogelijkheden zelf interpreteren.
Voor schoolleiders en beleidsmakers onderstreept de studie het belang van aandacht voor leerlingpercepties bij de inrichting van keuzemomenten en begeleiding. Omdat leerlingen sterk meritocratisch denken en succes of falen primair aan zichzelf toeschrijven, kan beleid dat uitsluitend uitgaat van formele structuurkenmerken tekortschieten in de aansluiting op hun geleefde ervaring.
Voor ouders laat het onderzoek zien hoe sterk ouderlijke verwachtingen doorwerken in de manier waarop leerlingen hun keuzevrijheid en verantwoordelijkheid ervaren. Bewustzijn van deze invloed kan bijdragen aan meer ruimte voor verschillende onderwijsroutes, ook wanneer deze afwijken van de hoogste hiërarchische positie in het systeem.
DOI: 10.1177/14749041251401055