Docenten in het Nederlandse voortgezet onderwijs gaan in de natuurkundeles niet altijd op dezelfde manier om met jongens en meisjes. Dat gebeurt meestal onbewust, maar het heeft wel gevolgen voor hoe leerlingen deelnemen aan de les, hoe zeker zij zich voelen en hoe zij leren. Dat blijkt uit kwalitatief onderzoek van Natascha Musters en collega’s van Tilburg University, gebaseerd op groepsgesprekken met natuurkundedocenten en vwo-leerlingen.
Het onderzoek richt zich op een hardnekkig patroon. Natuurkunde geldt al decennia als een vak waarin jongens gemiddeld beter presteren en vaker doorstromen, terwijl meisjes in het voortgezet onderwijs als geheel juist succesvoller zijn. Eerder kwantitatief onderzoek van dezelfde onderzoeksgroep liet zien dat jongens tussen 2013 en 2019 significant hogere cijfers haalden voor het natuurkunde-eindexamen op 68 scholen in Zuid-Nederland. Met dit vervolgonderzoek wilden de onderzoekers begrijpen wat er in de dagelijkse lespraktijk gebeurt en hoe docenten en leerlingen zelf genderverschillen ervaren.
Waarom juist deze aanpak
Veel eerder onderzoek naar gender in het onderwijs is gebaseerd op vragenlijsten. Die laten zien dát verschillen bestaan, maar zeggen minder over hoe die verschillen in de klas tot stand komen. In dit onderzoek is daarom gekozen voor focusgroepen, waarin leerlingen en docenten samen reflecteren op herkenbare situaties uit de natuurkundeles. Zo ontstaat zicht op gedrag, interacties en overtuigingen die in standaardmetingen vaak buiten beeld blijven.
De onderzoekers organiseerden zes focusgroepen met in totaal 21 deelnemers. Twaalf vwo-leerlingen uit de vierde en vijfde klas namen deel aan drie groepsgesprekken, met een gelijke verdeling van jongens en meisjes. Daarnaast spraken negen natuurkundedocenten van verschillende scholen mee in drie aparte groepen. De gesprekken werden opgenomen, uitgeschreven en systematisch geanalyseerd. In totaal codeerden de onderzoekers 558 uitspraken, die zij onderbrachten in drie hoofdthema’s: leerkenmerken van leerlingen, docent-leerlinginteracties en leermaterialen.
Inzet, onzekerheid en taakverdeling
Bijna de helft van alle uitspraken ging over verschillen in leerkenmerken tussen jongens en meisjes. Zowel leerlingen als docenten beschrijven dat meisjes zich in de les doorgaans harder inspannen, terwijl jongens hun inzet vaker uitstellen tot belangrijke toetsen en het eindexamen. Jongens zelf herkennen dat beeld. Zij geven aan dat zij soms minder doen in de les omdat zij denken de stof al te begrijpen, terwijl meisjes juist blijven oefenen en controleren.
Docenten herkennen dit patroon en zeggen regelmatig verrast te zijn door jongens die in de les weinig zichtbaar actief zijn, maar uiteindelijk wel hoge cijfers halen. Meisjes laten volgens hen een constantere werkhouding zien, maar zijn tegelijkertijd vaker onzeker over hun eigen kunnen, ook wanneer hun prestaties vergelijkbaar zijn met die van jongens. Die onzekerheid uit zich in uitspraken als ‘ik kan dit niet’ of ‘dit gaat me nooit lukken’, terwijl docenten bij jongens juist vaker overschatting van het eigen niveau signaleren.
Tijdens practica worden de verschillen extra zichtbaar. In gemengde groepjes nemen jongens vaak de praktische handelingen op zich, terwijl meisjes zich bezighouden met het verslag en de uitwerking. Leerlingen benoemen dat zelf ook. Docenten geven aan dat zij hier soms bewust op sturen, bijvoorbeeld door jongens en meisjes niet samen te laten werken, om te voorkomen dat taken automatisch langs genderlijnen worden verdeeld.
Vragen stellen en aangesproken worden
Ruim een derde van de uitspraken ging over interacties tussen docenten en leerlingen. Opvallend is dat de bevindingen hier afwijken van veel internationale literatuur. Waar eerdere studies vaak laten zien dat jongens dominanter zijn in klassengesprekken, geven Nederlandse docenten in dit onderzoek juist aan dat meisjes vaker vragen stellen. Die vragen zijn volgens docenten vaak gericht op bevestiging: klopt dit wel, doe ik het goed? Jongens stellen minder vragen, onder meer door groepsdruk en de angst om dom over te komen bij klasgenoten.
De gesprekken laten zien hoe het bewustzijn hierover groeit tijdens de focusgroepen. Zowel leerlingen als docenten beginnen vaak met de stelling dat iedereen gelijk wordt behandeld. Gaandeweg, wanneer voorbeelden worden uitgewisseld, erkennen veel deelnemers toch verschillen. Docenten realiseren zich bijvoorbeeld dat zij jongens vaker aanspreken, meestal om gedrag te corrigeren of orde te houden. Dat betekent niet dat jongens meer inhoudelijke aandacht krijgen, maar wel dat zij zichtbaarder zijn in de interactie.
Een bijzonder detail uit de gesprekken is hoe sommige docenten reflecteren op hun rol als voorbeeld. Een vrouwelijke docent vertelt dat zij haar kledingkeuze bewust heeft aangepast, omdat zij merkte dat zij onbedoeld een stereotiep beeld van de ‘mannelijke natuurkundige’ bevestigde. Door zichtbaarder vrouwelijk te zijn, wilde zij meisjes laten zien dat natuurkunde ook bij hen past.
Leermaterialen spelen kleinere rol in beleving
Leermaterialen kwamen opvallend weinig aan bod. Slechts een klein deel van de uitspraken ging over schoolboeken, opgaven en afbeeldingen. Leerlingen gaven aan daar nauwelijks bij stil te staan en vooral gefocust te zijn op de inhoud. Of een voorbeeld over een jongen of een meisje gaat, maakt voor hun begrip van natuurkunde weinig verschil, zo zeggen zij.
Docenten zijn zich daarentegen wel bewust van genderstereotypen in lesmateriaal. Zij noemen voorbeelden waarin jongens worden afgebeeld in actieve, spectaculaire contexten en meisjes in verzorgende of passieve rollen. Enkele docenten geven aan dat zij dit proberen te compenseren door eigen materiaal te maken of bewust andere voorbeelden te kiezen.
Wat leerlingen en docenten zelf voorstellen
Aan het einde van de gesprekken dachten deelnemers na over mogelijke verbeteringen. Meisjes benadrukken vooral het belang van een veilige en rustige leeromgeving. Zij voelen zich eerder vrij om vragen te stellen wanneer de docent duidelijk de regie houdt en zichtbaar door de klas loopt. Individuele momenten van uitleg werken volgens hen beter dan vragen stellen in het volle zicht van de groep.
Jongens noemen juist het belang van structuur en betrokkenheid. Meer duidelijkheid over wat er verwacht wordt en meer actieve begeleiding helpt hen om bij de les te blijven. Beide groepen zijn het erover eens dat vragen stellen essentieel is voor leren, maar dat de omstandigheden waaronder dat gebeurt, voor jongens en meisjes verschillend kunnen zijn.
Docenten laten zich in de gesprekken open en reflectief zien. Zij discussiëren over de vraag of gelijke behandeling altijd de beste aanpak is, of dat rekening houden met verschillen juist bijdraagt aan meer gelijkwaardigheid. Daarbij geven zij aan behoefte te hebben aan concrete handvatten die aansluiten bij hun dagelijkse lespraktijk.
Internationale bevindingen zijn niet zomaar te vertalen naar de Nederlandse situatie
De onderzoekers concluderen dat genderverschillen in Nederlandse natuurkundeklassen niet eenduidig zijn en sterk samenhangen met context en interactie. Het feit dat meisjes in dit onderzoek vaker vragen stellen dan jongens, wijst erop dat internationale bevindingen niet zonder meer te vertalen zijn naar de Nederlandse situatie.
In vervolgonderzoek willen de onderzoekers natuurkundedocenten daadwerkelijk volgen in de klas, om te zien hoe deze patronen zich in de praktijk manifesteren. Daarnaast staat een systematische analyse van Nederlandse natuurkundeboeken gepland, omdat dit thema in de focusgroepen weinig aandacht kreeg, terwijl de wetenschappelijke literatuur het wel als relevant beschouwt.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor docenten laat dit onderzoek zien dat kleine, vaak onbewuste verschillen in interactie invloed kunnen hebben op hoe leerlingen zich voelen en zich gedragen in de natuurkundeles. Bewust variëren in wie je aanspreekt, hoe je vragen uitlokt en hoe je groepswerk organiseert, kan helpen om automatische rolpatronen te doorbreken. Voor leerlingen maakt het onderzoek zichtbaar dat onzekerheid, vragen stellen en inzet onderdeel zijn van leren. Scholen kunnen deze inzichten benutten door natuurkundedocenten ruimte te geven om samen te reflecteren op de lespraktijk, zodat aandacht voor gendergelijkheid niet abstract blijft maar terugkomt in de dagelijkse klas.