Primair onderwijs

Klimaatverhalen in de klas wekken minder hoop en angst dan gedacht, en remmen zelfs actiebereidheid bij kinderen

Klimaatverhalen worden in het onderwijs vaak ingezet om leerlingen bewust te maken van klimaatverandering en hen aan te moedigen tot duurzaam gedrag. Leraren en scholen staan daarbij voor een lastige keuze: moeten verhalen vooral hoop bieden of juist de ernst van de klimaatcrisis benadrukken?

Nieuw onderzoek onder Nederlandse basisschoolleerlingen laat zien dat die tegenstelling in de klas veel minder werkt dan vaak wordt verondersteld. De emotionele toon van klimaatfictie blijkt nauwelijks invloed te hebben op de klimaathouding van kinderen, terwijl hun intentie om milieuvriendelijk gedrag te vertonen zelfs iets afneemt na het luisteren naar zulke verhalen.

Onderzoekers van Tilburg University voerden een leesexperiment uit op drie Nederlandse basisscholen, waarbij zij wilden achterhalen hoe kinderen reageren op klimaatverhalen die expliciet zijn ontworpen om hoop of angst op te roepen. De studie is nadrukkelijk ingebed in de onderwijspraktijk: de verhalen werden klassikaal voorgelezen door de leerkracht, tijdens reguliere lesmomenten, en de metingen vonden plaats in de vertrouwde omgeving van het klaslokaal. Daarmee sluit het onderzoek nauw aan bij de manier waarop klimaatverhalen in het basisonderwijs daadwerkelijk worden gebruikt.

Effecten van klimaatfictie

Het experiment richtte zich op leerlingen van 9 tot 12 jaar, een leeftijdsgroep die volgens de onderzoekers enerzijds steeds bewuster wordt van maatschappelijke problemen, maar anderzijds nog weinig empirisch is onderzocht als het gaat om de effecten van klimaatfictie. In het onderwijs bestaat al langer het idee dat verhalen een krachtig middel zijn om complexe thema’s toegankelijk te maken voor kinderen, zeker wanneer die verhalen emotioneel aansprekend zijn en uitnodigen tot identificatie met personages.

De Laatste Beer van Hannah Gold

Voor het onderzoek werden 142 leerlingen verdeeld over twee groepen. De ene groep kreeg fragmenten te horen met een overwegend hoopvolle toon, de andere groep luisterde naar fragmenten die angst en dreiging rondom klimaatverandering benadrukten. Als leesmateriaal kozen de onderzoekers voor De Laatste Beer van Hannah Gold, een boek dat veel wordt gelezen in het basisonderwijs en expliciet ingaat op klimaatverandering. Het verhaal volgt een meisje dat op een afgelegen eiland een ijsbeer ontmoet en probeert te redden, waarbij zowel gevoelens van wanhoop als hoop een rol spelen.

Opvallend is dat de onderzoekers uit een corpus van dertig Nederlandstalige kinderboeken over klimaatverandering uiteindelijk maar één titel geschikt vonden voor hun experiment. De meeste boeken bleken emoties als angst en hoop voortdurend met elkaar te vermengen, wat het lastig maakt om ze in een schoolse onderzoekssetting strikt van elkaar te scheiden. Ook De Laatste Beer bleek zulke verzachtende strategieën te bevatten, waardoor sommige angstige passages door de onderzoekers zijn aangepast om het contrast tussen de twee condities scherper te maken.

Milieuvriendelijk gedrag

Het experiment strekte zich uit over drie weken. In de eerste week vulden de leerlingen vragenlijsten in over hun leesniveau, leesgewoonten en hun bestaande houding ten opzichte van klimaatverandering en milieuvriendelijk gedrag. Vervolgens las de leerkracht het eerste fragment voor. Een week later volgde een tweede fragment uit dezelfde emotionele categorie, waarna opnieuw werd gemeten hoe de leerlingen dachten over klimaatverandering en in hoeverre zij van plan waren om zelf duurzaam gedrag te vertonen. In de derde week werd nogmaals dezelfde meting uitgevoerd, om te onderzoeken of eventuele effecten zouden aanhouden.

De uitkomsten weken af van wat in onderwijs en literatuur vaak wordt verondersteld. Er werden geen significante verschillen gevonden tussen leerlingen die hoopvolle fragmenten hadden gehoord en leerlingen die angstige fragmenten hadden beluisterd, als het gaat om hun houding tegenover klimaatverandering. Beide groepen bleven ongeveer even bezorgd, en geen van beide toonde meer vertrouwen in de mogelijkheid om zelf iets aan het probleem te doen. Wat wel opviel, was dat de intentie om milieuvriendelijk gedrag te vertonen na het luisteren naar de verhalen licht afnam, ongeacht de emotionele toon van de fragmenten. Die daling bleef ook een week later zichtbaar.

Beluisteren van klimaatfictie

Volgens de onderzoekers is dit resultaat relevant voor scholen, omdat klimaatverhalen in de klas vaak worden ingezet met het expliciete doel om leerlingen te motiveren tot actie. De studie laat zien dat dit effect in ieder geval niet vanzelfsprekend optreedt, en dat het lezen of beluisteren van klimaatfictie zelfs kan leiden tot een gevoel van afstand of machteloosheid.

De analyse van de emoties die leerlingen rapporteerden na het luisteren naar de fragmenten laat zien hoe complex hun reacties zijn. Slechts een deel van de kinderen voelde daadwerkelijk de emoties die de verhalen beoogden op te roepen. In de angstgroep gaf ongeveer de helft aan gevoelens van angst, verdriet of boosheid te ervaren, maar anderen voelden zich juist blij of hoopvol. In de hoopgroep voelde een groot deel van de leerlingen zich neutraal, normaal of zelfs verveeld, terwijl sommigen alsnog angst of verdriet rapporteerden. Opvallend genoeg gaven meer kinderen aan zich hoopvol te voelen na de angstige fragmenten dan na de expliciet hoopvolle passages.

Het verhaal zou positief eindigen

Deze bevindingen wijzen erop dat kinderen verhalen niet simpelweg emotioneel ‘overnemen’ zoals volwassenen dat soms doen. In een onderwijscontext spelen verwachtingen over verhalen een belangrijke rol. Veel kinderen gaan er impliciet van uit dat verhalen uiteindelijk goed aflopen, zeker wanneer ze in de klas worden voorgelezen. Tijdens de nabespreking gaven verschillende leerlingen aan dat zij ervan uitgingen dat het verhaal positief zou eindigen, ongeacht de spanningen of dreiging in de fragmenten. Die verwachting kan de emotionele impact van afzonderlijke passages afzwakken.

Daarnaast constateren de onderzoekers dat de mate van empathie met de personages relatief laag was. In theorie is juist die empathie een belangrijk mechanisme waarmee verhalen invloed kunnen uitoefenen op houding en gedrag. In het klaslokaal bleek het echter lastig om met losse fragmenten voldoende identificatie op te roepen. Dat is een relevant inzicht voor het onderwijs, waar verhalen vaak in delen worden gelezen of voorgelezen en niet altijd ruimte is om langdurig bij personages stil te staan.

Dalende actiebereidheid

Een andere verklaring voor de dalende actiebereidheid ligt in de beperkte handelingsruimte van kinderen. Veel gedragingen waarnaar werd gevraagd, zoals recyclen, minder vlees eten of energie besparen, liggen in de praktijk grotendeels bij ouders. Het is mogelijk dat het luisteren naar klimaatverhalen kinderen juist bewuster maakt van hun afhankelijkheid, waardoor zij terughoudender worden in het uitspreken van intenties die zij zelf niet volledig kunnen waarmaken.

Het onderzoek onderstreept daarmee dat het gebruik van klimaatfictie in het onderwijs geen eenvoudig instrument is. Verhalen roepen uiteenlopende en soms tegenstrijdige emoties op, die niet één op één te sturen zijn via een hoopvolle of angstige toon. Voor scholen betekent dit dat de educatieve waarde van klimaatverhalen waarschijnlijk niet zit in het oproepen van een specifieke emotie, maar in het creëren van ruimte voor gesprek, reflectie en gezamenlijke betekenisgeving in de klas.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor basisscholen laat dit onderzoek zien dat het voorlezen van klimaatverhalen op zichzelf geen garantie is voor een positievere houding of grotere actiebereidheid bij leerlingen. De emotionele toon van een verhaal, hoopvol of angstig, blijkt in de klas nauwelijks verschil te maken. Dat vraagt om realistische verwachtingen bij het inzetten van klimaatfictie in het curriculum.

Voor leerkrachten is het relevant dat kinderen zeer verschillend reageren op dezelfde verhalen en emoties niet eenduidig ervaren. Dit suggereert dat de onderwijswaarde van klimaatfictie vooral ligt in de nabespreking: ruimte geven aan uiteenlopende gevoelens, verwachtingen en vragen kan belangrijker zijn dan het sturen op één gewenste emotie.

Voor onderwijsontwikkelaars maken de resultaten duidelijk dat klimaatverhalen beter werken wanneer ze worden ingebed in bredere leeractiviteiten. Aansluiting bij de leefwereld van kinderen en aandacht voor wat zij zelf wél en niet kunnen doen, kan helpen om gevoelens van machteloosheid te voorkomen en het gesprek over klimaatverandering betekenisvol te houden.

Bron: Koolen, R., Van Amelsvoort, M., Van der Beek, S., Borst, R., Claassen, S., Goudbeek, M. & Looij, P. (2026). Hope or fear? Children’s responses to climate change fiction , Environmental Education Research.