Primair onderwijs

Hoogopgeleide ouders verhuizen voor betere scholen, maar kinderen presteren er niet beter door

Gezinnen met een universitaire opleiding en een hoger inkomen verhuizen vaker naar wijken met scholen die als goed bekendstaan, maar deze strategische woonkeuzes leiden niet tot betere schoolprestaties van hun kinderen.

Uit onderzoek in de vier grootste Nederlandse steden blijkt dat andere factoren dan de lokale schoolkwaliteit zwaarder wegen bij verhuisbeslissingen en dat de veronderstelde voordelen van schoolgerichte verhuisstrategieën grotendeels uitblijven in een onderwijssysteem met vrije schoolkeuze.

De relatie tussen woonplek, schoolkeuze en onderwijssucces speelt een centrale rol in het debat over sociale ongelijkheid en kansengelijkheid. Eerder onderzoek liet zien dat zowel buurtkenmerken als schoolomgevingen samenhangen met onderwijsuitkomsten van kinderen. Deze factoren zijn echter meestal los van elkaar onderzocht. Bovendien werden selectieprocessen, waarbij gezinnen bewust kiezen voor bepaalde buurten en scholen, vaak behandeld als een statistisch probleem dat moest worden weggefilterd, in plaats van als een wezenlijk onderdeel van het onderzoeksobject.

Daadwerkelijk samenhangt met betere onderwijsresultaten van kinderen

Nederlandse onderzoekers Dieuwke Zwier, Herman van de Werfhorst en Carla Haelermans kozen daarom voor een andere benadering. Zij onderzochten expliciet of het meewegen van het lokale schoolaanbod bij woonkeuzes daadwerkelijk samenhangt met betere onderwijsresultaten van kinderen. Daarmee sluiten zij aan bij internationale oproepen om buurt- en schoolstructuren integraal te bestuderen en sorteerprocessen niet langer te reduceren tot ruis in statistische modellen.

Nederland vormt een relevante casus omdat het land al sinds het begin van de twintigste eeuw vrijheid van onderwijs kent. Scholen worden publiek gefinancierd, schooldistricten ontbreken en gezinnen kunnen in principe vrij kiezen tussen scholen. Tegelijkertijd is uit eerder onderzoek bekend dat woonsegregatie een belangrijke aanjager is van schoolsegregatie. Dat roept de vraag op in hoeverre gezinnen de woningmarkt inzetten als instrument voor schoolkeuze en of dat daadwerkelijk loont voor de schoolloopbaan van hun kinderen.

Stedelijke regio’s Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht

Voor hun analyse maakten de onderzoekers gebruik van gekoppelde registerdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek, samengebracht in het Netherlands Cohort Study on Education. Deze databron bevat gedetailleerde informatie over gezinskenmerken, verhuizingen en onderwijsloopbanen over de periode 2004 tot 2020. De studie richtte zich op de stedelijke regio’s Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, die samen ongeveer een kwart van alle Nederlandse basisschoolleerlingen vertegenwoordigen.

De onderzoekspopulatie bestond uit eerstgeboren kinderen die in 2010 of 2011 met de basisschool begonnen. Juist rond deze levensfase zijn verhuizingen in verband met gezinsvorming en schoolkeuze het meest relevant. Om de analyses scherp te houden, beperkten de onderzoekers zich tot kinderen die tot aan de schoolleeftijd bij beide juridische ouders of bij hun moeder woonden. Dit resulteerde in een steekproef van 32.622 leerlingen.

Woningtype, voorzieningen en de sociaaleconomische en demografische samenstelling

De analyse van woonkeuzes verliep in twee stappen. In de eerste stap schatten de onderzoekers met conditionele logistische modellen in hoeverre gezinnen bij een verhuizing rekening houden met het lokale schoolaanbod. Daarbij controleerden zij voor andere buurtkenmerken, zoals woningtype, voorzieningen en de sociaaleconomische en demografische samenstelling van de wijk. Op basis van deze modellen werd een zogenoemde schoolfactor geconstrueerd, die aangeeft in welke mate het lokale schoolaanbod bijdraagt aan de kans dat een gezin voor een bepaalde buurt kiest.

In de tweede stap gebruikten de onderzoekers deze schoolfactor om te analyseren of schoolgerelateerde woonkeuzes samenhangen met onderwijsuitkomsten van kinderen. Daarbij keken zij specifiek naar het formele doorstroomadvies aan het einde van de basisschool, dat richting geeft aan het niveau van het voortgezet onderwijs. Dit advies vormt een belangrijk scharnierpunt in het Nederlandse onderwijssysteem en is daarom een veelgebruikte indicator voor onderwijsongelijkheid.

Ongelijke toegang tot gewilde woningen

De resultaten laten zien dat hoger opgeleide gezinnen met hogere inkomens inderdaad iets vaker verhuizen naar buurten met scholen die een gunstige reputatie hebben. Deze samenhang blijkt echter beperkt en neemt sterk af wanneer andere buurtkenmerken worden meegenomen. Met name woningkenmerken verklaren een aanzienlijk deel van de aanvankelijke verschillen tussen inkomensgroepen, wat erop wijst dat ongelijke toegang tot gewilde woningen een belangrijk deel van de waargenomen patronen verklaart.

Na volledige controle voor buurtkenmerken blijven ouders met een universitaire opleiding wel iets vaker kiezen voor wijken met hoger gewaardeerde scholen, maar de effectgroottes zijn klein. In Amsterdam vergroot een hogere lokale schoolkwaliteit bijvoorbeeld de kans dat universitair opgeleide ouders voor een buurt kiezen met ongeveer een kwart, terwijl die kans voor ouders met uitsluitend middelbaar onderwijs juist iets afneemt. In de andere steden zijn de patronen vergelijkbaar, maar eveneens bescheiden van omvang.

Deze beperkte effecten suggereren dat in een context van vrije schoolkeuze andere strategieën belangrijker kunnen zijn dan woonmobiliteit. Gezinnen zijn immers niet gebonden aan de school in de eigen buurt en kunnen ook zonder verhuizing kiezen voor een school elders in de stad, waardoor de noodzaak om te verhuizen afneemt.

Gezinnen met een migratieachtergrond verhuizen minder voor een school

Opvallend is verder dat gezinnen met een migratieachtergrond, wanneer wordt gecontroleerd voor sociaaleconomische status, minder vaak verhuizen naar buurten met hogere lokale schoolkwaliteit. Deze samenhang verdwijnt grotendeels zodra demografische buurtkenmerken worden meegenomen, wat erop wijst dat voorkeuren voor bepaalde buurtsamenstellingen hierbij een rol spelen.

Cruciaal is dat het meewegen van schoolkwaliteit bij woonkeuzes zich niet vertaalt in betere onderwijsresultaten van kinderen. De onderzoekers vinden geen aanwijzingen dat kinderen van ouders die expliciet rekening hielden met het lokale schoolaanbod bij hun verhuizing, hogere doorstroomadviezen ontvangen dan vergelijkbare kinderen.

Wel bevestigt het onderzoek eerdere bevindingen dat zowel wonen in een sociaaleconomisch gunstige buurt als het bezoeken van een school met een hogere gemiddelde doorstroom samenhangen met iets hogere adviezen. Een toename van één standaarddeviatie in de sociaaleconomische status van de buurt hangt samen met een stijging van 0,07 punt op de adviesschaal, terwijl een vergelijkbare toename in schoolkwaliteit samenhangt met een stijging van 0,10 punt.

Bescheiden effecten

Gezien de schaal van het doorstroomadvies, die loopt van 1 tot 6 met een standaarddeviatie van 1,3, zijn dit bescheiden effecten. Bovendien merken de onderzoekers op dat deze schattingen waarschijnlijk een bovengrens vormen, omdat selectieprocessen nooit volledig uit de analyses kunnen worden verwijderd.

Ook wanneer wordt gekeken of eventuele voordelen van schoolgerelateerde woonkeuzes zich vooral voordoen bij kinderen die daadwerkelijk op betere scholen terechtkomen, vinden de onderzoekers geen significante effecten. Met andere woorden: zelfs voor leerlingen die een kwalitatief beter gewaardeerde school bezoeken, maakt het niet uit of hun ouders bij de verhuizing expliciet rekening hielden met het lokale schoolaanbod.

De onderzoekers noemen verschillende mogelijke verklaringen voor het uitblijven van effecten. Zo baseren ouders zich mogelijk op onvolmaakte indicatoren van schoolkwaliteit. In dit onderzoek wordt schoolkwaliteit gemeten aan de hand van de gemiddelde doorstroom naar het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, maar deze maat weerspiegelt niet noodzakelijk de toegevoegde waarde van scholen en kan vooral samenhangen met de samenstelling van de leerlingenpopulatie.

Potentiële opbrengsten van dergelijke strategieën blijven beperkt

Daarnaast maakt vrije schoolkeuze het mogelijk om toegang te krijgen tot gewenste scholen zonder te verhuizen. Tot slot zijn gezinnen die in staat zijn schoolkwaliteit mee te wegen bij woonkeuzes vaak al relatief bevoordeeld, waardoor de potentiële opbrengsten van dergelijke strategieën beperkt blijven.

De studie nodigt uit tot een bredere herbezinning op hoe selectieprocessen in onderzoek naar contexteffecten worden benaderd. In plaats van selectie weg te modelleren, stellen de auteurs voor om expliciet te onderzoeken of, wanneer en voor wie contextuele sortering daadwerkelijk voordelen oplevert. Deze vraag is volgens hen niet alleen relevant voor onderwijs, maar ook voor andere domeinen waarin mensen strategische keuzes maken over wonen en werken.

Woningmarkt lost schoolsegregatie niet op

Voor Nederland suggereren de bevindingen dat zorgen over schoolsegregatie en ongelijke kansen waarschijnlijk niet primair via woningmarktinterventies kunnen worden opgelost. Hoewel schoolgerelateerde woonkeuzes licht sociaal gelaagd zijn, leveren zij geen aantoonbaar onderwijsvoordeel op voor kinderen.

Het onderzoek concludeert dat schoolgerelateerde woonmobiliteit geen betekenisvolle factor is in onderwijsresultaten, ondanks duidelijke verschillen in wie zich dergelijke strategieën kan permitteren. Tegelijk wijzen de auteurs op beperkingen van hun studie. Idealiter zouden woon- en schoolkeuzes gezamenlijk worden gemodelleerd, maar bestaande statistische methoden maken dat nog nauwelijks mogelijk. Ook kunnen feedbackprocessen, waarbij woonkeuzes het lokale schoollandschap zelf veranderen, niet worden meegenomen. Desondanks is de centrale conclusie helder: strategisch verhuizen met het oog op scholen loont in de Nederlandse context niet in termen van onderwijsuitkomsten.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor beleidsmakers laat dit onderzoek zien dat het stimuleren van verhuizingen naar zogenoemde goede schoolwijken waarschijnlijk geen effectief instrument is om onderwijsongelijkheid te verkleinen. Hoewel hogere inkomensgroepen dergelijke strategieën iets vaker toepassen, levert dit geen aantoonbare winst op in onderwijsadviezen.

Voor gemeenten en onderwijsbesturen onderstrepen de bevindingen dat vrije schoolkeuze de relatie tussen woonplek en schoolloopbaan fundamenteel verandert. Sturing via de woningmarkt alleen is daardoor onvoldoende om schoolsegregatie en ongelijke kansen tegen te gaan.

Voor ouders maakt het onderzoek duidelijk dat verhuizen met het oog op lokale schoolkwaliteit in Nederland geen garantie biedt op betere onderwijsuitkomsten voor kinderen. Andere factoren, zoals daadwerkelijke schoolkeuze en ondersteuning tijdens de schoolloopbaan, lijken zwaarder te wegen dan de buurt waarin een gezin woont.

Bron: Zwier, D., van de Werfhorst, H. & Haelermans, C. (2025). Neighborhood–school sorting and educational outcomes in a system of free school choice, Netherlands Cohort Study on Education.

Ontdek meer onderwerpen