Primair onderwijs

Grote kloof naar werk voor leerlingen uit speciaal onderwijs

Leerlingen die het speciaal onderwijs verlaten, hebben zeven jaar later aanzienlijk minder vaak betaald werk dan leeftijdsgenoten uit het reguliere praktijkonderwijs. Binnen het speciaal onderwijs lopen de uitkomsten bovendien sterk uiteen per leerroute.

Dat blijkt uit een longitudinale studie van onderzoekers van het Erasmus MC, gebaseerd op landelijke registratiedata van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De onderzoekers volgden ruim 74.000 jongeren die tussen 2016 en 2023 het speciaal onderwijs verlieten, en vergeleken hun arbeidsmarktpositie met die van ruim 50.000 oud-leerlingen uit het praktijkonderwijs. 

Het speciaal onderwijs is bedoeld voor leerlingen met een beperking of stoornis die zelfs met extra ondersteuning niet kunnen deelnemen aan het reguliere voortgezet onderwijs. Het reguliere praktijkonderwijs richt zich op leerlingen die niet voldoen aan de cognitieve eisen van het gewone voortgezet onderwijs, maar geen intensieve begeleiding nodig hebben zoals in het speciaal onderwijs.

Toelating tot het praktijkonderwijs is gebaseerd op een IQ-score tussen 50 en 80 en een leerachterstond van ten minste drie jaar. In de praktijk is er inhoudelijk en qua doelgroep aanzienlijke overlap tussen het praktijkonderwijs en de arbeidsmarktgerichte leerroute binnen het speciaal onderwijs.

Verschillen in arbeidsparticipatie kunnen langdurige gevolgen hebben

De overgang van school naar werk is voor jongeren met een beperking een cruciaal moment, omdat verschillen in arbeidsparticipatie al vroeg ontstaan en langdurige gevolgen kunnen hebben. Het onderzoek richt zich daarom op de vraag hoe deze jongeren zich na school ontwikkelen op de arbeidsmarkt en in hoeverre geslacht en migratieachtergrond samenhangen met die ontwikkeling.

Voor elke maand na schoolverlaten werd vastgesteld of iemand werkte, onderwijs volgde of tot de NEET-groep behoorde: niet in werk, niet in onderwijs en niet in een traject. Met behulp van trajectanalyse werden per leerroute verschillende patronen in arbeidsdeelname vastgesteld, waarna via regressieanalyse is onderzocht welke rol geslacht en migratieachtergrond daarin spelen.

Leerlingen met zware en meervoudige beperkingen

Binnen het speciaal onderwijs worden drie leerroutes onderscheiden. De arbeidsmarktgerichte leerroute bereidt voor op directe uitstroom naar werk. De leerroute gericht op vervolgonderwijs is bedoeld voor leerlingen die naar verwachting een diploma in het reguliere onderwijs kunnen behalen. De leerroute dagbesteding richt zich op leerlingen met zware en meervoudige beperkingen, voor wie betaald werk niet haalbaar wordt geacht.

De resultaten laten zien dat arbeidsparticipatie na zeven jaar sterk verschilt per leerroute. Onder leerlingen uit de arbeidsmarktgerichte leerroute neemt het aandeel werkenden in de eerste jaren toe tot ongeveer 40 procent en stabiliseert daarna rond de 44 à 45 procent.

Leerlingen uit de leerroute gericht op vervolgonderwijs starten met een lager aandeel werkenden, maar halen de arbeidsmarktgerichte groep na ongeveer vierenhalf jaar in en komen uiteindelijk uit op 53 procent. Leerlingen uit het reguliere praktijkonderwijs doen het duidelijk beter, met een arbeidsparticipatie van ruim 70 procent na zeven jaar. De leerroute dagbesteding blijft gedurende de hele periode rond de 10 procent steken. 

Het aandeel jongeren zonder werk en zonder opleiding neemt toe

Tegelijkertijd neemt het aandeel jongeren zonder werk en zonder opleiding toe in de arbeidsmarktgerichte leerroute. Waar aan het begin van de periode 39 procent tot de NEET-groep behoort, loopt dat na zeven jaar op tot 52 procent. In de leerroute dagbesteding ligt dat aandeel na zeven jaar op 91 procent. In de leerroute gericht op vervolgonderwijs en het praktijkonderwijs liggen deze percentages aanzienlijk lager, respectievelijk 33 en 25 procent. 

Binnen elke leerroute blijken meerdere trajecten te bestaan. In de arbeidsmarktgerichte leerroute behoort de grootste groep, 43,8 procent, tot een traject met blijvend lage arbeidsparticipatie. Ongeveer een vijfde van de leerlingen heeft vanaf het begin een hoge arbeidsparticipatie, terwijl andere groepen een geleidelijke of fluctuerende ontwikkeling laten zien. 

Minder gunstige arbeidsparticipatie

Geslacht en migratieachtergrond hangen in alle leerroutes samen met deze trajecten. Vrouwen en leerlingen met een migratieachtergrond komen vaker terecht in minder gunstige patronen van arbeidsparticipatie. Zo hebben vrouwen zonder migratieachtergrond een ruim 2,5 keer zo hoog risico om tot de groep met aanhoudend lage arbeidsparticipatie te behoren als mannen zonder migratieachtergrond. Voor vrouwen met een migratieachtergrond ligt dit risico nog hoger, met een relatieve risicoverhouding van 3,26. 

Ook in het praktijkonderwijs worden dergelijke verschillen gevonden, waarbij de ongelijkheid het grootst is onder vrouwen met een migratieachtergrond. Zij hebben daar een aanzienlijk grotere kans om langdurig lage arbeidsparticipatie te ervaren dan mannen zonder migratieachtergrond. 

De onderzoekers concluderen dat verschillen in arbeidsmarktuitkomsten niet alleen samenhangen met de gevolgde leerroute. Ook persoonskenmerken zoals geslacht en migratieachtergrond spelen een zelfstandige rol. Daarmee ontstaat een patroon waarin onderwijsloopbaan en sociale achtergrond samen de kansen op werk bepalen.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen in het speciaal onderwijs laat dit onderzoek zien dat de keuze voor een leerroute samenhangt met sterk uiteenlopende arbeidsmarktkansen op langere termijn. Met name bij de arbeidsmarktgerichte leerroute blijft een groot deel van de leerlingen langdurig zonder werk of opleiding.

Voor begeleiders en mentoren maakt het onderzoek duidelijk dat verschillen in uitkomsten niet alleen samenhangen met de leerroute, maar ook met geslacht en migratieachtergrond. Deze factoren hangen samen met een grotere kans op minder gunstige trajecten na schoolverlaten.

Voor beleid en ondersteuning na school wijzen de resultaten erop dat langdurige begeleiding rond de overgang van school naar werk relevant is, omdat een aanzienlijk deel van de jongeren uit het speciaal onderwijs meerdere jaren na uitstroom geen werk heeft en niet in opleiding is.

Bron: Ciliacus, R., Porru, F., Burdorf, A. & Schuring, M. (2026). From secondary special needs education to the labor market: latent trajectories and inequalities in employment participation, Scandinavian Journal of Work, Environment & Health. DOI: https://doi.org/10.5271/sjweh.4292

Ontdek meer onderwerpen