De eerste jaren op de middelbare school gaan gepaard met kleine maar duidelijke veranderingen in eigenschappen die juist op school van belang zijn. Onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam en de Universiteit Utrecht laat zien dat zorgvuldigheid, meegaandheid, extraversie en eerlijkheid-bescheidenheid tussen het dertiende en vijftiende jaar afnemen, terwijl juist diezelfde kenmerken ook samenhangen met minder depressieve klachten. Bij meisjes neemt bovendien emotionaliteit toe, terwijl die bij jongens juist afneemt.
Tijdelijke onderbreking in de ontwikkeling
De studie richt zich op een fase die in het onderwijs zwaar weegt: de eerste jaren van de middelbare school. Leerlingen moeten in korte tijd wennen aan een nieuwe school, nieuwe klasgenoten, andere sociale verhoudingen en hogere eisen aan zelfstandigheid en planning.
De onderzoekers plaatsen hun bevindingen tegen de achtergrond van de zogenoemde rijpingshypothese: het idee dat mensen in de loop van hun leven gemiddeld hoger gaan scoren op persoonlijkheidskenmerken die samenhangen met psychologische volwassenwording. Voor de vroege adolescentie bestaat echter al langer het vermoeden dat die ontwikkeling tijdelijk wordt onderbroken. Dat noemen de auteurs de verstoringshypothese.
Leerlingen moeten hun werk plannen, zich aanpassen aan verschillende docenten, hun weg vinden in nieuwe vriendengroepen en omgaan met oplopende prestatiedruk. De onderzoekers schrijven expliciet dat de overgang naar de middelbare school nieuwe uitdagingen met zich meebrengt, zowel in sociale relaties als in wat er op school van leerlingen wordt gevraagd. Tijdelijke dalingen in persoonlijkheidskenmerken kunnen volgens hen daarom samenhangen met moeite om zich aan die nieuwe omstandigheden aan te passen.
Adolescenten in de eerste drie jaren van de middelbare school
Voor hun analyse gebruikten de onderzoekers gegevens uit het #SOCONNeCT-project, een studie naar de ontwikkeling van adolescenten in de eerste drie jaren van de middelbare school. Er werden twee cohorten gevolgd. In het eerste cohort zaten 222 leerlingen, die werden gemeten rond hun dertiende verjaardag en een jaar later opnieuw. In het tweede cohort zaten 588 leerlingen, die rond hun dertiende verjaardag en twee jaar later opnieuw werden onderzocht.
Alle deelnemers zaten op havo of vwo en kwamen van Nederlandse scholen. Beide cohorten zijn apart geanalyseerd, onder meer omdat de tweede meting van het tweede cohort tijdens de coronapandemie plaatsvond.
De persoonlijkheid van de leerlingen werd gemeten met de Brief HEXACO Inventory. Daarmee keken de onderzoekers naar zes eigenschappen: eerlijkheid-bescheidenheid, emotionaliteit, extraversie, meegaandheid, consciëntieusheid en openheid voor ervaringen.
Depressieve klachten werden vastgesteld met een gevalideerde vragenlijst voor kinderen en adolescenten. Voor het verband tussen persoonlijkheid en depressieve klachten voegden de onderzoekers de eerste metingen van beide cohorten samen. Zo ontstond een groep van 769 leerlingen van ongeveer 13 jaar, allemaal in hun eerste jaar op de middelbare school.
Wat verandert er tussen 13 en 15 jaar?
De uitkomsten laten voor de twee cohorten een verschillend patroon zien, maar wel in dezelfde richting. In het eerste cohort, tussen 13 en 14 jaar, nam alleen consciëntieusheid significant af. In het tweede cohort, tussen 13 en 15 jaar, namen eerlijkheid-bescheidenheid, extraversie, meegaandheid en consciëntieusheid af. Openheid voor ervaringen bleef in beide cohorten stabiel. Emotionaliteit liet een verschil tussen jongens en meisjes zien: meisjes werden emotioneler, jongens juist minder emotioneel. Daarnaast scoorden jongens in beide cohorten lager op eerlijkheid-bescheidenheid en emotionaliteit dan meisjes.
Voor het onderwijs is vooral de afname van consciëntieusheid relevant. De onderzoekers wijzen er nadrukkelijk op dat dit de eigenschap is die het sterkst samenhangt met succes op school. Onder consciëntieusheid vallen eigenschappen als ordelijk werken, zorgvuldig zijn, plannen en taken afmaken. Juist dat zijn vaardigheden waarop leerlingen in de eerste jaren van de middelbare school sterker worden aangesproken dan op de basisschool.
De school vraagt meer zelfsturing op een moment dat die zelfsturing juist onder druk kan staan
Dat deze eigenschap in de onderzochte periode afneemt, maakt volgens de auteurs zichtbaar waarom deze fase van de onderwijsloopbaan zo kwetsbaar kan zijn. De school vraagt meer zelfsturing op een moment dat die zelfsturing juist onder druk kan staan.
Ook de afname van eerlijkheid, bescheidenheid en meegaandheid raakt direct aan de schoolpraktijk. De onderzoekers beschrijven deze eigenschappen als vormen van zelfregulatie in sociale situaties. Eerlijkheid en bescheidenheid gaat onder meer over oprechtheid, eerlijkheid, bescheidenheid en het vermijden van uitbuiting van anderen voor eigen gewin.
Verband met depressieve klachten
Naast die veranderingen in de tijd keken de onderzoekers ook naar depressieve klachten. Daaruit kwam een duidelijk patroon naar voren. Leerlingen die lager scoorden op eerlijkheid-bescheidenheid, extraversie, meegaandheid en consciëntieusheid, rapporteerden meer depressieve symptomen.
Emotionaliteit en openheid voor ervaringen hingen juist positief samen met depressieve klachten. Vooral het verband tussen emotionaliteit en depressie was sterk. Ook extraversie bleek relatief sterk samen te hangen met minder depressieve klachten.
Die uitkomst is volgens de onderzoekers van belang, omdat de kenmerken die in de onderzochte periode afnemen, op hetzelfde moment samenhangen met mentaal welbevinden. Tegelijk waarschuwen zij ervoor om kleine gemiddelde dalingen niet direct als problematisch te zien.
De effecten in het onderzoek zijn klein. Volgens de auteurs kunnen zulke kleine verschuivingen ook passen bij normale ontwikkeling, waarbij jongeren door uitdagingen heen moeten om verder te groeien. De gevonden dip hoeft dus niet te betekenen dat er iets misgaat. Wel kan zij zichtbaar maken dat de ontwikkeling in deze levensfase minder geleidelijk en minder rechtlijnig verloopt dan vaak wordt aangenomen.
De rol van de school
Daarmee krijgt ook de rol van de school extra gewicht. Het onderzoek maakt duidelijk dat de eerste jaren van de middelbare school een periode zijn waarin sociale aanpassing, wat er op school van leerlingen wordt gevraagd en psychische kwetsbaarheid samenvallen.
De auteurs noemen de overgang naar de middelbare school expliciet als een moment waarop leerlingen moeten leren omgaan met nieuwe relaties met leeftijdgenoten en hogere verwachtingen op school. Dat betekent dat het onderwijs niet alleen de achtergrond van deze ontwikkeling vormt, maar ook de plek is waar zulke spanningen zichtbaar worden.
Verschillen tussen jongens en meisjes
De verschillen tussen jongens en meisjes vragen volgens de onderzoekers ook om nadere aandacht. Emotionaliteit was de enige eigenschap waarbij de ontwikkeling duidelijk uiteenliep: meisjes lieten een stijging zien, jongens een daling.
Meisjes scoorden bovendien in het algemeen hoger op emotionaliteit. De auteurs wijzen erop dat juist meisjes gemiddeld ook gevoeliger zijn voor depressie. Zij zien daarin aanleiding voor vervolgonderzoek naar de vraag welke factoren achter deze verschillende ontwikkelingslijnen schuilgaan.
Geen gestage groei
Per saldo schetst het onderzoek een beeld van de vroege adolescentie als een fase waarin ontwikkeling niet alleen bestaat uit gestage groei. In de eerste jaren van de middelbare school kunnen sommige eigenschappen die samenhangen met zelfsturing en sociaal functioneren juist wat afnemen.
Omdat diezelfde eigenschappen ook samenhangen met depressieve klachten, vinden de onderzoekers het belangrijk om in vervolgstudies beter te kijken naar individuele ontwikkelingslijnen. Daarmee moet duidelijker worden welke jongeren goed door deze fase heen komen en bij wie de tijdelijke dip overgaat in een groter risico op psychische problemen.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor scholen en schoolleiders laat dit onderzoek zien dat de eerste jaren van de middelbare school een ontwikkelingsfase zijn waarin leerlingen tegelijk moeten omgaan met nieuwe sociale verhoudingen en hogere schoolse eisen. De auteurs noemen die overgang zelf als een mogelijke verklaring voor tijdelijke dalingen in persoonlijkheidskenmerken.
Voor docenten, mentoren en leerlingbegeleiders is vooral relevant dat juist de kenmerken die afnemen, zoals consciëntieusheid, meegaandheid, extraversie en eerlijkheid-bescheidenheid, ook samenhangen met meer depressieve klachten wanneer leerlingen er lager op scoren. Het onderzoek wijst niet op een specifieke aanpak, maar maakt wel duidelijk dat deze schoolfase extra aandacht vraagt voor zowel welbevinden als functioneren in de klas.
Voor het voortgezet onderwijs maken de resultaten duidelijk dat kleine verschuivingen in gedrag en zelfsturing in deze jaren niet meteen als afwijkend hoeven te worden gezien. Tegelijk benadrukken de onderzoekers dat aanhoudend lage scores of sterkere dalingen op individueel niveau reden zijn om de ontwikkeling van leerlingen nauwkeuriger te volgen.
Bron: Kaneva, M., Sijtsma, H., Walsh, R. J., Hollarek, M., Lee, N. C., Van Buuren, M., De Vries, R. E. & Krabbendam, L. (2026). Overcoming challenges as part of maturation: Evidence for a personality “disruption” in adolescence from a two-cohort HEXACO study, Acta Psychologica. DOI: 10.1016/j.actpsy.2026.106715