Voortgezet onderwijs

Christelijk onderwijs vraagt om leraren die het geloof belichamen

Christelijk onderwijs wordt niet in de eerste plaats overgedragen via expliciete geloofsinhoud, maar via de manier waarop leraren hun beroep uitoefenen.

Het geloof functioneert daarbij niet als een extra laag bovenop vakinhoud en didactiek, maar als een richtinggevend kader dat het handelen van leraren doordesemt. Door hun omgang met leerlingen, hun pedagogische oordelen en hun morele keuzes dragen leraren het christelijk karakter van het onderwijs over.

Het onderzoek, uitgevoerd aan de North-West University uit Zuid-Afrika en Driestar Hogeschool uit Gouda, laat zien dat de professionele vorming van christelijke leraren daarom niet kan worden gereduceerd tot het aanleren van vakkennis en didactische technieken.

Leraren brengen hun geloof niet primair over door wat zij zeggen, maar door wie zij zijn

Volgens onderzoek van Nicolaas Broer en Abraham Kunz krijgt het christendom in het onderwijs vooral gestalte in het professionele handelen van de leraar zelf. Onderwijs is volgens de auteurs een normatieve praktijk, waarin karaktervorming en de ontwikkeling van deugden essentieel zijn voor het ontstaan van een professionele identiteit. Leraren brengen hun geloof niet primair over door wat zij zeggen, maar door wie zij zijn en hoe zij handelen in concrete pedagogische situaties.

De aanleiding voor het onderzoek ligt in de vaststelling dat professionaliteit in toenemende mate wordt gedefinieerd in termen van efficiëntie, systemen en meetbare prestaties. Volgens de auteurs doet deze benadering geen recht aan de morele en relationele dimensies van het leraarschap.

De kwaliteit van professioneel handelen wordt volgens hen in beslissende mate bepaald door het vermogen van leraren om moreel verantwoord te handelen, relationeel betrokken te zijn en praktische wijsheid te tonen. Professionele identiteit kan daarom niet worden teruggebracht tot technische competenties, maar veronderstelt een geïntegreerde vorming van persoon en beroep.

Het onderzoek vertrekt vanuit de overtuiging dat onderwijs onvermijdelijk normatief is. Zowel de inhoud als de vorm van onderwijs worden beïnvloed door culturele, politieke, ideologische en religieuze contexten. Leraren brengen hun overtuigingen, waarden en morele intuïties mee het klaslokaal in, wat doorwerkt in hun pedagogisch handelen en hun omgang met leerlingen.

Deze normativiteit vraagt volgens de auteurs om expliciete reflectie op de vraag welke waarden en idealen het onderwijs richting geven en hoe leraren die waarden belichamen in hun dagelijkse praktijk.

Methodologisch is het onderzoek gebaseerd op een conceptueel-filosofische analyse van geselecteerde literatuur uit de filosofie van het onderwijs, theologie en deugdenethiek. Als theoretische basis gebruiken Broer en Kunz het praktijkbegrip van Alasdair MacIntyre, waarin een praktijk wordt opgevat als een sociaal ingebedde, coöperatieve menselijke activiteit die gericht is op het realiseren van interne goederen.

Morele betekenis geven aan hun handelen

Onderwijzen is in die zin een praktijk waarin deelnemers niet alleen doelen nastreven, maar ook morele betekenis geven aan hun handelen. Daarnaast maken de auteurs gebruik van het normatieve praktijkmodel van Jochemsen en collega’s, dat professionele praktijken analyseert aan de hand van normen en waarden die richting geven aan het handelen.

Binnen dat normatieve praktijkmodel onderscheiden de auteurs een constitutieve en een regulatieve dimensie. De constitutieve dimensie omvat fundamentele normen, zoals vakkennis en professionele vaardigheden, kwalificerende normen die het doel van het beroep bepalen, zoals het bevorderen van rechtvaardigheid en welzijn, en conditionerende normen die betrekking hebben op de sociale en institutionele context waarin het beroep wordt uitgeoefend.

De regulatieve dimensie verwijst naar het leidende ideaal dat richting geeft aan de praktijk en wordt gevormd door gedeelde overtuigingen, waarden en een professioneel ethos.

Vooral wanneer normen met elkaar botsen

Een centrale bevinding van het onderzoek is dat dit normatieve praktijkmodel ethisch onderbepaald blijft zolang niet wordt uitgewerkt hoe professionals deze normen daadwerkelijk belichamen. Het model beschrijft wat het handelen zou moeten oriënteren, maar verklaart onvoldoende hoe leraren in staat zijn om in moreel complexe situaties verantwoorde keuzes te maken, vooral wanneer normen met elkaar botsen of contextuele interpretatie vereisen.

Volgens Broer en Kunz biedt de deugdenethiek hier een noodzakelijke aanvulling, omdat zij de aandacht richt op de vorming van stabiele morele dispositions in het karakter van de professional.

Handelen verankeren in vertrouwen op God

Deugden spelen volgens de auteurs een onmisbare rol in het leraarschap. Klassieke kardinale deugden zoals praktische wijsheid, rechtvaardigheid, moed en zelfbeheersing stellen leraren in staat om adequaat te handelen in de complexe werkelijkheid van het onderwijs. Praktische wijsheid helpt bij het maken van weloverwogen oordelen in pedagogisch gevoelige situaties, rechtvaardigheid waarborgt eerlijke behandeling van leerlingen, moed ondersteunt het opkomen voor wat juist is onder moeilijke omstandigheden en zelfbeheersing draagt bij aan een evenwichtige professionele houding.

Verankeren in vertrouwen op God

Voor christelijke leraren krijgen deze deugden verdieping door de theologische deugden van geloof, hoop en liefde, die het handelen verankeren in vertrouwen op God, volharding mogelijk maken in gebroken situaties en richting geven aan de relatie met leerlingen.

Karaktervorming wordt in het onderzoek opgevat als een proces van habituatie en oefening, waarbij waarden en normen worden geïnternaliseerd tot deugden. Het gaat daarbij niet alleen om wat leraren doen, maar om wie zij zijn en hoe zij verantwoordelijkheid willen dragen binnen hun beroep. Professionele identiteit kan volgens de auteurs niet los worden gezien van deze karaktervorming, omdat een leraar zonder morele verankering onvoldoende toegerust is om de normatieve spanningen van het onderwijs te hanteren.

Beroep en roeping

Professionele identiteit wordt door Broer en Kunz omschreven als het zelfverstaan van de professional in relatie tot zijn beroep en roeping. Deze identiteit ontstaat in de wisselwerking tussen persoonlijke overtuigingen, ervaringen in de praktijk en de gedeelde normen van de professionele gemeenschap.

Reflectie speelt daarbij een sleutelrol, zowel tijdens het handelen als achteraf, wanneer leraren hun keuzes en de gevolgen daarvan overdenken. In christelijk onderwijs krijgt deze identiteitsvorming een specifieke richting doordat het leidende ideaal wordt ontleend aan het geloof en het onderwijs wordt georiënteerd op de vorming van leerlingen in het licht van het koninkrijk van God.

Karaktervorming mag geen aanvullend of optioneel onderdeel zijn

De auteurs concluderen dat onderwijs, opgevat als normatieve praktijk, zichtbaar maakt dat de leraar in de eerste plaats een morele actor is. Leraren oefenen niet primair hun vakdiscipline uit, maar handelen als leraren die verantwoordelijkheid dragen voor de integrale ontwikkeling van hun leerlingen.

Voor de lerarenopleiding betekent dit dat karaktervorming geen aanvullend of optioneel onderdeel mag zijn, maar een constitutief element van het gehele opleidingsprogramma. Voor leraren in de praktijk en voor schoolleiders vraagt dit om een professionele cultuur waarin morele reflectie, pedagogische dialoog en gezamenlijke oriëntatie op waarden en idealen expliciet worden gefaciliteerd.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor lerarenopleidingen laat dit onderzoek zien dat professionele vorming niet kan worden beperkt tot vakinhoud en didactiek. Karaktervorming en morele oefening moeten door het hele curriculum heen verweven zijn, zodat studenten leren hun professionele handelen te verbinden met waarden, overtuigingen en reflectie op de praktijk.

Voor startende leraren maakt het onderzoek duidelijk dat professionele groei samenhangt met het ontwikkelen van deugden zoals praktische wijsheid en rechtvaardigheid. Praktijkervaringen krijgen pas richting wanneer zij gepaard gaan met reflectie op morele dilemma’s en pedagogische verantwoordelijkheid.

Voor schoolleiders en besturen onderstreept de studie het belang van een schoolcultuur waarin ruimte is voor pedagogische dialoog en morele reflectie. Het ondersteunen van professionele gemeenschappen waarin waarden expliciet besproken worden, draagt bij aan een gedeelde professionele identiteit van leraren.

Bron: Broer, N.A. & Kunz, A.J. (2026). Teaching virtuously: The formation of Christian teachers as a normative practice. HTS Teologiese Studies/Theological Studies, 82(1), a11101. DOI: https://doi.org/10.4102/hts.v82i1.11101

Ontdek meer onderwerpen