Kinderen die opgroeien in een sterk autoritaire opvoedingsstijl hebben later in hun leven aanzienlijk minder kans om een universitaire opleiding af te ronden en maken vaker gebruik van werkloosheidsuitkeringen. Dat blijkt uit een grootschalig langetermijnonderzoek waarin bijna drieduizend kinderen uit Stockholm gedurende vijf decennia zijn gevolgd. Ook permissieve opvoeding blijkt samen te hangen met minder gunstige arbeidsmarktuitkomsten, in de vorm van lagere inkomens op volwassen leeftijd.
Het onderzoek is uitgevoerd door een internationaal team van economen onder leiding van Thomas Dohmen, verbonden aan de Universiteit van Bonn en Maastricht University. Zij maakten gebruik van gegevens uit de Stockholm Birth Cohort, een unieke dataset die kinderen geboren in 1953 volgt van de schoolleeftijd tot ver in hun volwassen leven.
Langetermijngegevens over opvoedingsstijlen
De Stockholm Birth Cohort omvat alle kinderen die in 1953 in Stockholm County zijn geboren en daar in 1966 nog woonden. In dat jaar vulden ruim dertienduizend kinderen op school uitgebreide vragenlijsten in en maakten zij cognitieve tests. Voor een subgroep van ongeveer drieduizend kinderen werden in 1968 aanvullende interviews gehouden met hun moeders, toen de kinderen vijftien jaar oud waren. In deze interviews werd uitgebreid gevraagd naar opvattingen en praktijken rond opvoeding.
De onderzoekers baseerden zich op de klassieke indeling van ontwikkelingspsycholoog Diana Baumrind en onderscheidden drie centrale opvoedingsstijlen. Autoritaire opvoeding wordt gekenmerkt door nadruk op gehoorzaamheid en het afdwingen van regels via dwang. Autoritatieve opvoeding combineert duidelijke regels met uitleg en overtuiging. Permissieve opvoeding stelt het welzijn en geluk van het kind centraal en laat kinderen veel ruimte om zelf keuzes te maken.
In plaats van ouders in één vaste categorie te plaatsen, maten de onderzoekers opvoedingsstijlen als graduele kenmerken. Met behulp van meerdere enquêtevragen per stijl en een statistische hoofdcomponentenanalyse werd voor iedere ouder een index geconstrueerd. Ouders konden daarmee in verschillende mate elementen van meerdere stijlen combineren.
Controle voor achtergrond en cognitieve vaardigheden
Een belangrijk kenmerk van het onderzoek is dat uitgebreid is gecontroleerd voor zowel gezinsachtergrond als cognitieve vaardigheden van de kinderen. De analyses houden rekening met ouderlijk inkomen en opleidingsniveau, evenals met ruimtelijke, verbale en wiskundige vaardigheden van kinderen op dertienjarige leeftijd. Daarmee wilden de onderzoekers uitsluiten dat gevonden verbanden simpelweg het gevolg zijn van sociaaleconomische verschillen of aangeboren cognitieve capaciteiten.
De auteurs benadrukken dat zij geen causale uitspraken doen over opvoedingsstijlen, maar uitsluitend kijken naar de voorspellende waarde ervan voor latere levensuitkomsten.
Negatieve samenhang met onderwijs en uitkeringen
De resultaten laten een consistent negatief verband zien tussen autoritaire opvoeding en onderwijsprestaties op de lange termijn. Een toename van één standaarddeviatie in autoritaire opvoeding hangt samen met een daling van 6,1 procentpunt in de kans om minimaal twee jaar universitair onderwijs te voltooien. Dat komt neer op een afname van ongeveer 16 procent ten opzichte van het gemiddelde in de onderzochte groep. Ook de kans op het behalen van een diploma in het voortgezet onderwijs ligt lager bij kinderen uit meer autoritaire gezinnen.
Daarnaast blijkt autoritaire opvoeding samen te hangen met een hogere mate van afhankelijkheid van werkloosheidsuitkeringen. In de jaren negentig ontvingen volwassenen die als kind sterker autoritair waren opgevoed gemiddeld aanzienlijk meer werkloosheidsuitkeringen. Voor andere vormen van sociale bijstand werden eveneens hogere risico’s gevonden, al zijn deze effecten niet in alle analyses statistisch significant.
Opvallend is dat er nauwelijks een samenhang wordt gevonden tussen autoritaire opvoeding en het totale arbeidsinkomen. De onderzoekers wijzen erop dat dit mogelijk samenhangt met de economische crisis in Zweden begin jaren negentig of met de relatief geringe loonongelijkheid in die periode.
Permissieve opvoeding en lagere inkomens
Voor permissieve opvoeding vinden de onderzoekers een minder uitgesproken maar wel consistent patroon. Deze opvoedingsstijl hangt samen met een lagere kans op universitair onderwijs en met lagere inkomens op volwassen leeftijd. Gemiddeld liggen de arbeidsinkomens van volwassenen die permissief zijn opgevoed ongeveer vijf procent lager. Voor autoritatieve opvoeding worden, na correctie voor achtergrond en cognitieve vaardigheden, geen duidelijke positieve verbanden met latere levensuitkomsten gevonden.
Mechanismen achter de verbanden
Om beter te begrijpen hoe opvoedingsstijlen doorwerken in latere uitkomsten, onderzochten de auteurs verschillende mogelijke mechanismen. Een deel van het effect van autoritaire opvoeding blijkt samen te hangen met kennisopbouw. Wanneer ook verbale en wiskundige vaardigheden worden meegenomen in de analyses, neemt het verband tussen autoritaire opvoeding en onderwijsuitkomsten met ongeveer een derde af. Dat wijst erop dat opvoedingsstijlen deels via leerprestaties werken, maar niet volledig.
Een tweede belangrijk mechanisme ligt in de onderwijsvoorkeuren van ouders. Autoritaire ouders geven vaker aan dat zij het wenselijk zouden vinden als hun kind vroegtijdig stopt met school om te gaan werken. Ook beschouwen zij een gebrek aan scholing minder vaak als een belemmering in het leven. Deze opvattingen blijven zichtbaar, ook wanneer wordt gecontroleerd voor cognitieve vaardigheden en gezinsachtergrond.
De onderzoekers vinden daarentegen geen aanwijzingen dat autoritaire opvoeding samenhangt met een slechtere gezinsstructuur of een zwakkere ouder-kindrelatie. Autoritaire moeders rapporteren zelfs iets vaker een goede relatie tussen vader en kind. Daarmee lijkt de thuissituatie zelf geen verklaring voor de lagere onderwijsuitkomsten.
Verschillen naar sociaaleconomische achtergrond
Het onderzoek laat zien dat de effecten van opvoedingsstijlen verschillen naar sociaaleconomische status van het gezin. In gezinnen met een hoger inkomen hangt autoritaire opvoeding samen met lagere arbeidsinkomens, terwijl in gezinnen met een lager inkomen juist een positieve samenhang met inkomen wordt gevonden. Voor permissieve opvoeding geldt het omgekeerde patroon: deze stijl lijkt gunstiger uit te pakken in gezinnen met een hogere sociaaleconomische positie. Tussen jongens en meisjes worden geen systematische verschillen gevonden.
Beperkingen en context
De auteurs benadrukken dat hun bevindingen zijn gebaseerd op een Zweedse cohort die opgroeide in de jaren vijftig tot zeventig, in een context van relatief lage ongelijkheid en hoge sociale mobiliteit. Volgens hen vormen de resultaten waarschijnlijk een conservatieve schatting van de samenhang tussen opvoedingsstijlen en latere levensuitkomsten. In maatschappijen met grotere ongelijkheid zouden deze verbanden sterker kunnen zijn. Volgens de auteurs hangt dit samen met de institutionele context: in samenlevingen met minder herverdelend beleid en grotere ongelijkheid hebben verschillen in opvoeding minder tegenwicht, waardoor hun samenhang met latere levensuitkomsten sterker zichtbaar kan worden.
De auteurs benadrukken nadrukkelijk dat de gevonden verbanden niet causaal mogen worden geïnterpreteerd: het onderzoek laat zien welke opvoedingsstijlen samenhangen met latere levensuitkomsten, maar bewijst niet dat deze opvoedingsstijlen die uitkomsten veroorzaken.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor onderwijsbeleid laat dit onderzoek zien dat verschillen in opvoedingsstijlen samenhangen met structurele ongelijkheden in onderwijsdeelname, zelfs in een context met relatief gelijke kansen. Beleidsmaatregelen die zich richten op gelijke onderwijskansen kunnen deze gezinsfactoren niet negeren.
Voor interventieprogramma’s onderstreepen de resultaten het belang van aandacht voor ouderlijke onderwijsverwachtingen. Niet alleen cognitieve ondersteuning, maar ook opvattingen van ouders over het nut en belang van scholing blijken samen te hangen met latere uitkomsten van kinderen.
Voor onderzoek en praktijk maken de bevindingen duidelijk dat opvoedingsstijlen niet losstaan van sociaaleconomische context. Effecten verschillen naar achtergrond, wat pleit voor terughoudendheid bij het toepassen van algemene opvoedadviezen zonder rekening te houden met de specifieke situatie van gezinnen.
Bron: Dohmen, T., Golsteyn, B., Grönqvist, H., Hertegård, E. & Pfann, G. (2026). How Parenting Styles Shape Children’s Lifetime Outcomes