Primair onderwijs

Beperkte effectiviteit van bestaande anti-pestprogramma’s

Anti-pestprogramma’s op scholen bestaan inmiddels al decennia, maar hun effect blijft beperkt. Ondanks talloze initiatieven en een grote hoeveelheid onderzoek laten overzichtsstudies zien dat deze programma’s gemiddeld slechts ongeveer twintig procent minder pestgedrag opleveren.

Anti-pestprogramma’s op scholen bestaan inmiddels al decennia, maar hun effect blijft beperkt. Ondanks talloze initiatieven en een grote hoeveelheid onderzoek laten overzichtsstudies zien dat deze programma’s gemiddeld slechts ongeveer twintig procent minder pestgedrag opleveren. Dat betekent dat pesten wel afneemt, maar lang niet in de mate waarop scholen en beleidsmakers hopen. Volgens onderzoekers Chloé Tolmatcheff en René Veenstra ligt een belangrijk deel van de verklaring in de manier waarop anti-pestprogramma’s worden ontworpen en geëvalueerd.

In het merendeel van het bestaande onderzoek worden programma’s ontwikkeld als samengestelde pakketten, met meerdere onderdelen die tegelijk worden ingezet. Pas daarna wordt gekeken of het geheel effect heeft. Die aanpak maakt het lastig om te begrijpen waarom sommige programma’s een klein effect hebben en andere nauwelijks werken. Het blijft vaak onduidelijk welke onderdelen daadwerkelijk bijdragen aan het verminderen van pesten en welke weinig of zelfs een averechts effect hebben.

Eerst onderdelen testen, daarna programma’s bouwen

Tolmatcheff en Veenstra pleiten daarom voor een andere volgorde. In plaats van eerst een compleet programma te bouwen en dat als geheel te testen, stellen zij voor om afzonderlijke onderdelen eerst los van elkaar te onderzoeken. Pas wanneer duidelijk is welke elementen daadwerkelijk effect hebben, zouden deze gecombineerd moeten worden tot een volledig programma. Volgens de auteurs kan deze aanpak leiden tot effectievere én minder belastende interventies voor scholen.

Een belangrijk voordeel van deze benadering is dat zij beter aansluit bij de beperkte tijd en middelen waarover scholen beschikken. Door alleen die onderdelen te gebruiken waarvan het effect is aangetoond, kan de belasting voor leerkrachten en leerlingen worden verminderd zonder dat dit ten koste gaat van de effectiviteit.

Werkingsmechanismen blijven vaak ongetoetst

Een eerste probleem dat de onderzoekers signaleren, is dat veel studies niet meten of de veronderstelde werkingsmechanismen van een programma daadwerkelijk veranderen. Anti-pestinterventies zijn meestal gebaseerd op het idee dat pesten afneemt als bepaalde onderliggende processen worden beïnvloed, zoals morele rechtvaardigingen voor pesten, groepsnormen in de klas of de bereidheid van omstanders om in te grijpen. In de praktijk meten onderzoekers vaak alleen of het pestgedrag zelf afneemt, zonder te kijken of deze tussenliggende processen ook veranderen.

Het testen van deze mechanismen is volgens de auteurs essentieel. Het maakt het mogelijk om theorieën over pesten te toetsen en om beter te begrijpen welke processen een rol spelen. Daarnaast helpt het om vast te stellen of een bepaald onderdeel überhaupt potentie heeft als anti-pestmaatregel. Ook voorkomt het dat onderzoekers concluderen dat een interventie niet werkt, terwijl er wel degelijk veranderingen optreden die op het niveau van zichtbaar pestgedrag moeilijk te detecteren zijn.

Programma’s als ‘zwarte doos’

Een tweede tekortkoming betreft de evaluatie van programma’s met meerdere onderdelen als één geheel. Daardoor blijft de bijdrage van afzonderlijke onderdelen onbekend, ongeacht of het totale programma een positief effect heeft. Tolmatcheff en Veenstra vergelijken dit met een soep waarin verschillende ingrediënten zijn gemengd. Of de soep als geheel goed of slecht uitpakt, zegt niets over de werking van elk afzonderlijk ingrediënt.

Bovendien kan een verandering in een bepaald proces niet eenduidig worden toegeschreven aan één specifiek onderdeel wanneer meerdere elementen tegelijk worden aangeboden. Een effect kan onverwacht worden veroorzaakt door een ander onderdeel of door een combinatie van onderdelen. Hierdoor blijft onduidelijk welke elementen verantwoordelijk zijn voor eventuele veranderingen in pestgedrag.

Uitvoering door leerkrachten beïnvloedt de uitkomst

Een derde probleem heeft betrekking op de manier waarop programma’s in de klas worden uitgevoerd. In veel anti-pestprogramma’s zijn leerkrachten verantwoordelijk voor de uitvoering, vaak na een korte training. In de praktijk varieert deze uitvoering sterk. Sommige leerkrachten volgen het programma nauwgezet, terwijl anderen onderdelen overslaan, aanpassen of minder tijd besteden dan bedoeld.

Hoewel steeds vaker gegevens worden verzameld over hoe programma’s worden uitgevoerd, wordt de relatie tussen uitvoering en effect zelden systematisch onderzocht. Volgens de onderzoekers is dit een belangrijke lacune. Een interventie die alleen werkt onder ideale omstandigheden heeft in de praktijk beperkte waarde, terwijl een maatregel die ook bij minder zorgvuldige uitvoering effect sorteert juist veelbelovend kan zijn.

Verschillende effecten voor verschillende leerlingen

De vierde tekortkoming die Tolmatcheff en Veenstra benoemen, is het ontbreken van aandacht voor verschillen tussen leerlingen. Anti-pestprogramma’s zijn meestal gericht op hele klassen of scholen, maar niet alle leerlingen reageren op dezelfde manier. Sommige groepen profiteren meer van een interventie dan andere, en voor bepaalde leerlingen kunnen maatregelen zelfs ongewenste effecten hebben.

Onderzoek dat deze verschillen systematisch in kaart brengt, is schaars. Daardoor blijft onduidelijk voor wie een bepaalde maatregel werkt en voor wie niet. Volgens de auteurs kan dit mede verklaren waarom de gemiddelde effecten van anti-pestprogramma’s beperkt en wisselend zijn.

Microtrials als alternatief onderzoeksontwerp

Om deze tekortkomingen aan te pakken, stellen de onderzoekers voor om vaker gebruik te maken van gerandomiseerde microtrials. Dit zijn kleinschalige studies waarin één duidelijk afgebakend onderdeel wordt getest, bijvoorbeeld een korte interventie gericht op omstandersgedrag of morele rechtvaardiging. Deze studies duren doorgaans slechts enkele weken en vergen aanzienlijk minder middelen dan grootschalige programma-evaluaties.

Microtrials maken het mogelijk om vast te stellen of een specifiek onderdeel het beoogde proces beïnvloedt, hoe gevoelig het is voor verschillen in uitvoering door leerkrachten en of de effecten verschillen tussen groepen leerlingen. Op basis van deze kennis kunnen vervolgens onderbouwde keuzes worden gemaakt bij het samenstellen van bredere programma’s.

Naar effectievere en beter uitvoerbare programma’s

Tolmatcheff en Veenstra benadrukken dat deze aanpak geen snelle oplossing is. Het systematisch testen van afzonderlijke onderdelen en het combineren van bewezen effectieve elementen is tijdrovend. Tegelijkertijd stellen zij dat deze werkwijze op de lange termijn juist kan bijdragen aan kosteneffectievere anti-pestprogramma’s.

Hun conclusie is dat het veld van anti-pestonderzoek gebaat is bij een verschuiving in focus. Door eerst te begrijpen welke onderdelen werken, voor wie en onder welke omstandigheden, kan worden gewerkt aan programma’s die beter aansluiten bij de dagelijkse schoolpraktijk en die meer bereiken dan de bescheiden effecten die nu vaak worden gevonden.

Ontdek meer onderwerpen