Primair onderwijs

Langdurige en goed ingebedde interventies versterken motivatie voor STEM

Langdurige en pedagogisch goed geïntegreerde interventies kunnen de motivatie van jongeren voor wetenschap, technologie, engineering en wiskunde vergroten.

Dat blijkt uit een narratieve literatuurstudie van de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Utrecht, waarin 31 onderzoeken uit de periode 2014–2025 zijn samengebracht. Korte of losstaande initiatieven leveren volgens de auteurs vaak slechts tijdelijke of gemengde effecten op..De onderzoekers analyseerden welke typen interventies zijn ingezet om motivatie voor STEM-vakken te versterken en wat er bekend is over hun effectiviteit. Daarbij richtten zij zich zowel op schoolse als buitenschoolse contexten.

Vier drijfveren achter motivatieonderzoek in STEM

De literatuurstudie laat zien dat onderzoek naar motivatie in STEM-onderwijs doorgaans wordt ingegeven door vier terugkerende factoren. Ten eerste is er in veel landen sprake van een toenemende vraag naar gekwalificeerde STEM-professionals, waarbij in sommige sectoren ook tekorten worden gerapporteerd. Ten tweede blijven bepaalde groepen, waaronder meisjes en leerlingen met een lagere sociaaleconomische achtergrond of migratieachtergrond, ondervertegenwoordigd in STEM-richtingen.

Een derde drijfveer is de strategische sociaaleconomische betekenis die overheden en beleidsmakers aan STEM toekennen, onder meer in relatie tot innovatie en concurrentiekracht. Tot slot wijzen meerdere studies op een afnemende motivatie en interesse van leerlingen voor STEM-vakken naarmate zij ouder worden, met name in de hogere leerjaren van het voortgezet onderwijs.

Selectie en analyse van 31 studies

Voor de review werden publicaties uit Scopus en Web of Science geselecteerd. Na toepassing van in- en exclusiecriteria bleven 31 studies over. Het merendeel betrof kwantitatief onderzoek, aangevuld met enkele kwalitatieve en mixed-methodstudies en één literatuurreview.

De onderzoekers codeerden alle artikelen thematisch volgens het zesstappenmodel van Braun en Clarke. Een belangrijk overkoepelend resultaat is dat niet zozeer de setting – school of buitenschools – bepalend is voor het effect, maar vooral de manier waarop een interventie wordt uitgevoerd: de duur, intensiteit, pedagogische inbedding en aansluiting bij de motivatiebehoeften van leerlingen blijken cruciaal.

Zes typen motivatiegerichte interventies

De eerste categorie betreft specifieke motivatiegerichte STEM-programma’s, zoals utility value-interventies, competentiegerichte curricula, robotica- en programmeerprogramma’s en ontwerpgerichte leermodellen. Korte utility value-interventies bleken de ervaren relevantie en interesse tijdelijk te verhogen, maar het effect nam in sommige gevallen na enkele maanden af wanneer verdere inbedding in het curriculum ontbrak. Langduriger programma’s, die meerdere weken of maanden besloegen, lieten vaker sterkere en blijvende motivatie-effecten zien.

Een tweede categorie bestaat uit community engagement-initiatieven, waarbij leerlingen werken aan vraagstukken uit hun eigen omgeving. Deze aanpak wordt in verband gebracht met de vervulling van basisbehoeften zoals autonomie, verbondenheid en competentie. Hoewel de theoretische onderbouwing sterk is, constateren de auteurs dat empirisch bewijs voor directe motivatie-effecten nog beperkt is.

Hands-on leerbenaderingen vormen de derde categorie. Praktische activiteiten, zoals experimenten, simulaties of het bouwen van modellen, worden veel toegepast. De resultaten blijken echter uiteenlopend. Het louter aanbieden van praktische activiteiten is volgens de review onvoldoende; de motivatie-effecten hangen samen met duur, intensiteit, pedagogische samenhang en kenmerken van de leerlingen zelf.

De vierde categorie omvat het gebruik van ondersteunende instructiematerialen en educatieve technologie. Computing-interventies en virtuele laboratoria leverden in sommige studies kleine of positieve effecten op, bijvoorbeeld op kennisverwerving of leerervaringen. Structurele en significante verbeteringen in motivatie bleven echter vaak uit of waren niet eenduidig.

De kracht van herhaling

Extracurriculaire programma’s vormen de vijfde categorie. Buitenschoolse STEM-activiteiten, zoals clubs of onderzoeksprogramma’s, lieten gemengde resultaten zien. Programma’s die meerdere weken duurden en herhaalde betrokkenheid mogelijk maakten, rapporteerden vaker positieve effecten op motivatie en aspiraties. Kortdurende of eenmalige activiteiten bleken doorgaans onvoldoende om motivatie duurzaam te beïnvloeden .

De zesde categorie betreft interventies die inzetten op sociale steun. Steun van leraren, medeleerlingen en ouders werd in verschillende studies in verband gebracht met motivatie-uitkomsten, vaak indirect via zelfeffectiviteit, taakwaarde of de vervulling van psychologische basisbehoeften  . Needs-supportive onderwijspraktijken, zoals het bieden van keuzevrijheid en het creëren van een inclusief leerklimaat, werden geassocieerd met hogere intrinsieke motivatie.

Belang van timing en continuïteit

Naast type interventie benadrukt de review het belang van timing en continuïteit. Vroege implementatie, met name in de vroege adolescentie, wordt in meerdere studies genoemd als een factor die kan bijdragen aan het tegengaan van de vaak waargenomen daling in motivatie op latere leeftijd.

Daarnaast blijkt dat motivatie-effecten kunnen afnemen wanneer interventies niet structureel worden voortgezet of geïntegreerd in het reguliere curriculum. Dit geldt onder meer voor utility value-interventies, waarvan het effect volgens sommige studies binnen zes maanden kan verminderen zonder verdere ondersteuning  .

De review biedt daarmee een overzicht van bestaande kennis over motivatiegerichte STEM-interventies en onderstreept dat duurzame effecten vooral samenhangen met langdurige, goed geïntegreerde en op behoeften afgestemde aanpakken.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen en docenten laat de review zien dat losse, kortdurende projecten zelden voldoende zijn om motivatie voor STEM duurzaam te verhogen. Langdurige programma’s die meerdere weken of maanden beslaan en duidelijk zijn ingebed in het curriculum laten vaker positieve effecten zien. Vroege inzet, bijvoorbeeld in de onderbouw van het voortgezet onderwijs, kan helpen om latere motivatieafname te beperken.

Voor lerarenopleidingen en schoolleiders onderstrepen de resultaten het belang van behoeftesondersteunend lesgeven. Praktijken die autonomie, competentie en verbondenheid versterken, evenals een inclusief leerklimaat, worden in meerdere studies in verband gebracht met hogere intrinsieke motivatie in STEM.

Voor beleidsmakers maken de bevindingen duidelijk dat intensiteit, duur en structurele verankering bepalend zijn voor effectiviteit. Investeringen in langdurige en goed geïntegreerde STEM-programma’s, aangevuld met aandacht voor sociale steun vanuit school en thuis, sluiten aan bij de patronen die in de literatuur naar voren komen.

Bron: Kegels, C., Struyf, A. & Thomas, V. (2026). Motivating Youth for STEM: A Narrative Literature Review of Motivational STEM Interventions, Education Sciences, 16, 290. DOI: https://doi.org/10.3390/educsci16020290

Ontdek meer onderwerpen