Primair onderwijs

Kinderen halen aan het einde van groep 1 nog geen optimaal wiskundig startniveau

Nederlandse kinderen ontwikkelen zich tussen hun vierde en zevende levensjaar duidelijk in vroege rekenvaardigheden, maar bereiken aan het einde van groep 1 nog geen optimaal niveau voor een soepele verdere wiskundige ontwikkeling.

Dat geldt zowel voor kinderen die bij aanvang als risicokind worden aangemerkt als voor gemiddeld presterende leerlingen. Dat blijkt uit longitudinaal onderzoek van de Radboud Universiteit en de Universiteit Utrecht, waarin de ontwikkeling van verschillende componenten van vroeg getalbegrip over meerdere jaren is gevolgd.

De studie richt zich op een periode die cruciaal is voor latere rekenprestaties. Eerder onderzoek laat zien dat wiskundige vaardigheden in Nederland onder druk staan, vooral bij zwakker presterende leerlingen. Tegelijkertijd is bekend dat kinderen die de kleutergroepen instromen met een achterstand in vroege numerieke vaardigheden een verhoogd risico lopen op blijvende problemen in het rekenonderwijs. Toch is er weinig longitudinaal onderzoek dat gedetailleerd in kaart brengt hoe verschillende onderdelen van getalbegrip zich ontwikkelen tijdens de overgang van kleuteronderwijs naar groep 1, juist in de Nederlandse context van spelenderwijs leren en beperkte formele instructie.

Het onderzoek maakt gebruik van een cohort-sequentieel design waarin in totaal 1252 kinderen zijn gevolgd tussen midden kleuter 1 en het einde van groep 1. De dataverzameling vond plaats tussen januari 2019 en juni 2021, met twee meetmomenten per schooljaar. Kinderen werden individueel getest met de Utrechtse Getalbegrip Toets-3, een gestandaardiseerde toets voor kinderen van vier tot zeven jaar. Deze toets meet tien deelvaardigheden, waarvan in deze studie twee kerncomponenten centraal staan: numeriek-relationele vaardigheden en telvaardigheden.

Numeriek-relationele vaardigheden hebben betrekking op het begrijpen van relaties tussen hoeveelheden, zoals vergelijken, classificeren, correspondentie en seriëren. Telvaardigheden omvatten onder meer het gebruik van telwoorden, gestructureerd tellen, resultatief tellen en algemene getalkennis. De analyses zijn gebaseerd op een populatiesteekproef en op een subsample van 414 kinderen, waarin risicokinderen zijn gedefinieerd als de laagste twintig procent scorende leerlingen bij de eerste meting.

Uit de analyses blijkt dat beide componenten van getalbegrip zich niet-lineair ontwikkelen, maar volgens verschillende patronen. Numeriek-relationele vaardigheden laten een gestage groei zien die richting het einde van groep 1 afvlakt. Telvaardigheden daarentegen nemen juist sterker toe in groep 1. Ondanks deze groei wordt aan het einde van groep 1 bij geen van beide componenten een plafond bereikt, wat erop wijst dat kinderen het niveau dat mogelijk is binnen deze vaardigheden nog niet hebben uitgeput.

Duidelijke onderlinge afhankelijkheid

In de totale groep blijkt dat numeriek-relationele vaardigheden een funderende rol spelen voor de ontwikkeling van telvaardigheden. Kinderen die bij aanvang hoger scoren op numeriek-relationele vaardigheden, laten ook een gunstiger ontwikkeling van telvaardigheden zien. Zowel het startniveau als de groei in deze relationele vaardigheden dragen bij aan de ontwikkeling van telvaardigheden, wat wijst op een duidelijke onderlinge afhankelijkheid tussen beide componenten.

De verschillen tussen risicokinderen en gemiddeld ontwikkelende kinderen zijn duidelijk zichtbaar. Risicokinderen beginnen op een lager niveau en vertonen een vertraagde ontwikkeling, vooral op het gebied van telvaardigheden. Bij numeriek-relationele vaardigheden laten zij wel een relatief sterkere lineaire groei zien, waardoor de kloof met hun leeftijdsgenoten iets kleiner wordt. Voor telvaardigheden blijft de achterstand echter grotendeels bestaan.

Bij risicokinderen is deze samenhang zwakker

Daarnaast verschillen de relaties tussen beide componenten tussen de groepen. Bij gemiddeld ontwikkelende kinderen hangen numeriek-relationele vaardigheden en telvaardigheden sterk samen en versterken zij elkaar over de tijd. Bij risicokinderen is deze samenhang zwakker. Dit wijst erop dat bij deze groep de onderlinge ondersteuning tussen verschillende onderdelen van getalbegrip minder vanzelfsprekend tot stand komt.

De onderzoekers concluderen dat vroeg getalbegrip niet als één uniforme vaardigheid kan worden gezien, maar bestaat uit meerdere componenten met eigen ontwikkelingspatronen. De afwezigheid van plafond-effecten aan het einde van groep 1 suggereert dat het huidige informele, spelgerichte kleutercurriculum weliswaar bijdraagt aan groei, maar onvoldoende is om kinderen optimaal voor te bereiden op het formele rekenonderwijs dat daarna volgt. Vooral voor risicokinderen leidt dit tot blijvende achterstanden en zwakkere verbindingen tussen kernvaardigheden.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor docenten en mentoren laat dit onderzoek zien dat leerlingen hun onderwijstraject vaak ervaren als het resultaat van eigen keuzes en inzet, ook wanneer formele keuzeruimte beperkt is. Het expliciet benoemen van hoe selectie, doorstroom en afstroom in het systeem daadwerkelijk werken kan helpen om verwachtingen te verduidelijken, zonder het gevoel van handelingsruimte bij leerlingen volledig weg te nemen.

Voor decanen en loopbaanbegeleiders maakt het onderzoek zichtbaar dat leerlingen structurele barrières, zoals beperkte mobiliteit of vroege selectie, zelden vanzelf koppelen aan hun eigen onderwijsuitkomsten. Het bespreekbaar maken van verschillende routes, inclusief de voorwaarden en kwetsbaarheden van opstroom en diplomastapeling, sluit aan bij hoe leerlingen hun mogelijkheden zelf interpreteren.

Voor schoolleiders en beleidsmakers onderstreept de studie het belang van aandacht voor leerlingpercepties bij de inrichting van keuzemomenten en begeleiding. Omdat leerlingen sterk meritocratisch denken en succes of falen primair aan zichzelf toeschrijven, kan beleid dat uitsluitend uitgaat van formele structuurkenmerken tekortschieten in de aansluiting op hun geleefde ervaring.

Voor ouders laat het onderzoek zien hoe sterk ouderlijke verwachtingen doorwerken in de manier waarop leerlingen hun keuzevrijheid en verantwoordelijkheid ervaren. Bewustzijn van deze invloed kan bijdragen aan meer ruimte voor verschillende onderwijsroutes, ook wanneer deze afwijken van de hoogste hiërarchische positie in het systeem.

DOI: 10.1177/14749041251401055

Ontdek meer onderwerpen